Wandelen: Springendal

In Nationaal Landschap Noord-Oost Twente ligt een grensoverschrijdende stuwwal uit de voorlaatste ijstijd, die loopt van Ootmarsum naar het Duitse Uelsen. Op het Nederlandse deel van die stuwwal liggen het Landgoed Springendal en het Dal van de Mosbeek.


De boswachter van Staatsbosbeheer heeft een route uitgestippeld, die ik loop op dinsdag, 23 april 2024, een frisse, maar zonnige lentedag.


Start op de Brandtorenweg in Hezingen. Voer deze plaatsnaam in je routeplanner correct in, want net over de grens in Duitsland ligt Hesingen. Bij de parkeerplaats staat tussen de bomen een oude niet meer gebruikte brandtoren, die nauwelijks nog boven de bomen uitsteekt.


Dit gebied behoort tot de oudste bewoonde gebieden van Oost-Nederland, getuige de vele grafheuvels en urnenvelden. Ik kom meteen langs een open plaats waar in 2019 een schat aan munten, sieraden en voorwerpen uit de vroege middeleeuwen (zevende eeuw) is gevonden. Een reconstructie heeft aannemelijk gemaakt dat dit een offerplaats was voor heidense goden. Wie waren die afgoden? Uit de achtste eeuw is een Oud-Saksische doopgelofte bekend van bekeringen tot het christendom: “… en ik verzaak alle werken en woorden van de duivel, Donar en Wodan en Saxnot en al de afgoden die hun gezellen zijn.” Op de plek is ter herinnering daarom een totempaal met de ‘beeltenis’ van Wodan geplaatst. Een ‘beeltenis’ van Saxnot zou logischer zijn geweest, want Saxnot was de stamgod van de Saksen.


Bovenstaande spreuk ben ik trouwens een keer eerder tegengekomen. Verdomd! Op het paaltje van het jaar 795 van het Wereldtijdpad tussen Holten en Rijssen staat deze spreuk in de oudste Nederlandse woorden vermeld (‘Wereldtijdpad 7 (800–600)’. In: Siem Sing a Song, 2020).


De lijsterbes is nu een opvallende bloeier onder de struiken. Op de bosbodem bloeit rankende helmbloem, bosveldkers en blauwe bosbes. Maar de beeldbepalende bloeier van de dag is grote muur. Ben nog niet eerder zo veel grote muur in de bermen tegengekomen.


Ik passeer een open veld met jeneverbesstruiken en kom dan in het dal van de Springendalsebeek. Veel zwerfkeien zijn hier windkanters: keien met één of meerdere gladde oppervlakken, gepolijst door de wind.


De stuwwal bevat veel klei en dat verhindert dat regenwater diep de bodem in kan zakken. Dit leidt op vele plekken tot kwel vrij hoog op de stuwwal en zelfs tot enkele bronvijvers, die de Springendalsebeek voeden.


Ik bereik de Kleine Bronvijver. Op de hoge oever staat het bekende beeldje van vegetatiekundige Victor Westhoff (1916–2001), die zijn observaties noteert. Het beeld is in zevenvoud gemaakt en staat in zeven natuurgebieden. Eerder kwam ik het al eens tegen bij het Korenburgerveen (‘Korenburgerveen’. In: Tureluren, 2015). Aan zijn voeten bloeit de rode bosbes en vlak langs het stromende water van de beek groeien overvloedig paarbladig goudveil en holpijp. Een prachtige plek met vlonderpaden.


Ik passeer ook nog de Kleinste Bronvijver en dan een brug over de beek, gemaakt van Bentheimer zandsteen, een veelgebruikt bouwmateriaal uit het Duitse Bentheim voor Twentse kerken, maar ook voor het Paleis op de Dam, de Martinitoren in Groningen en de sokkel van het Vrijheidsbeeld in New York, om maar wat te noemen.


Meerdere grafheuvels liggen in dit gebied, als ook enkele klootschietersbanen (er is geen oorzakelijk verband). De urnenvelden zijn nu begroeid met jeneverbesstruweel (ook geen oorzakelijk verband).

Na enkele papiermolens aangedreven te hebben wordt het heldere water van de Springendalsebeek al sinds 1886 aangewend voor een inmiddels grote wasserij, een familiebedrijf met als lijfspreuk: ‘Springendal, natuurlijk!’.


Midden in het Springendal staat een monumentale Twentse boerderij uit 1771, Erve Meerbekke. Ik lees dat de familie Jannink, Twentse textielfabrikant, sinds de jaren twintig van de vorige eeuw, eigenaar was van Landgoed Springendal en dus ook van deze boerderij. Dat herinnert me aan de boeiende ‘Cirkels van Jannink’ (Mandercirkels), iets westelijker tegen de Duitse grens aan. Een Jannink telg begon daar een landbouwexperiment met ronde akkers, zodat de tractor tijdens werkzaamheden niet hoefde te keren. De twee voormalige akkers, elk zo’n vijftien hectare groot, zijn nu verschraalde heidevelden met een bijzondere vegetatie (‘Omloop Vasse’. In: Siem Sing a Song, 2020). 


Ik drink koffie bij de Grote Bronvijver. Wat een rust, wat een stilte! Wel eens een waterhoen hoog in een boom gezien? Hier wel! Zit lekker te smullen van de bloeiwijzen of jonge knoppen van een beuk.


Regelmatig moet ik Saksische hekken passeren, van die mooie Twentse houten hefboomhekken. Je ziet ze zelfs vaak als een soort sierhek in tuinen staan zonder enige functie.


Look-zonder-look en lelietje-van-dalen bloeien. Gewoon nagelkruid zit er aan te komen. Zowel blauwe als rode bosbes staan in bloei en komen hier regelmatig in gemengde standen voor.


Ik bereik vakantiepark Hoeve Springendal en het eeuwenoude (sinds 1500) erf van de familie Brunninkhuis (‘huis bij de bron’). Deze familie heeft zijn eigen beek, de Brunninkhuizerbeek. Of heeft deze beek zijn eigen familie?          


Vervolgens over de mooie bolle Schabosch Esch. In de berm bloeien witte winterpostelein en een populatie van klein tasjeskruid. De laatste lijkt op herderstasje, maar de hauwtjes (vruchtjes) zijn meer lepelvormig. Midden op de Esch staat een landkruis, meestal begin en eindpunt van een ommegang over de akkers tijdens de drie dagen vóór Hemelvaart (over twee weken dus!) om te bidden voor een goede oogst. “Je wandelt nooit alleen” staat er in het begeleidende gedicht. Waar heb ik dat de afgelopen dagen meer gehoord? O ja, rond de ‘akker’ van de Kuip.


De Paardenslenkte is een groot heideveld. Ik heb het genoegen de grote schaapskudde van dichtbij aan het werk te zien. Ik zet enkele stappen over de onzichtbare grens naar een grote zwerfsteen, die door een soort gelaatsuitdrukking me even aan Paaseiland doet denken. De steen uit 1999 staat op de grens en wijst in de ene richting naar Hesingen (D), en in de andere richting naar Hezingen (NL). De jaartallen 799–1999 en 1200 lijken te wijzen op minimaal 1200 jaar bewoning in dit gebied.


Dit grensgebied is één van de vier resterende leefgebieden in Nederland van het zeldzame vliegend hert, onze grootste kever. Die kan dus mooi even de grens over wippen als de benzine bij de buren wat goedkoper is. Toch is het een bedreigde soort vanwege zijn lange ontwikkelingscyclus van vier tot acht jaar. Eitjes worden door het vrouwtje afgezet bij de wortels van met name dode eikenbomen of stammen. De larven eten vochtig vermolmd hout. Langs het wandelpad zijn enkele zogenaamde ‘broedstoven’ aangelegd, een verzameling ingegraven eikenhouten stammen die langzaam rotten en voedsel leveren voor de larven.   


Noord-Oost Twente is het land van sagen, van witte wieven tot hellehonden. Een slap aftreksel van deze schrikbeelden zijn de vele kabouterbomen die ik tegenkom.


Ik bereik het Dal van de Mosbeek, waar het kwelwater je over de schoenen loopt. Groene spechten lachen en de koekoek roept. Horeca Watermolen Bels gaat vergezeld van het bezoekerscentrum Dal van de Mosbeek, met als ondertitel ‘IJs & Es’: een reis van de IJstijd naar het Essenlandschap.


Tot slot nog over de Braamberg (76 meter), met aan de voet een mooie Mariakapel. De hellingen zelf staan vol met turbo Engels graaigras met in de berm weinig meer dan stinkende gouwe en akkerhoornbloem. Al met al een bijzonder fraai wandelgebied.

                                                                                               


[Beeldverhaal]


Gepost: 3 Mei 2024

 

Staatsbosbeheer: Boswachterspad Springendal (18 km)