SELFIES: Valencia 3 – Albufera

Het Openbaar Vervoer is goed geregeld in Valencia. Iedere busrit, hoe lang of hoe kort ook, kost anderhalve euro. Ook de lange rit van drie kwartier naar het Natuurgebied Albufera ten zuiden van de stad, valt binnen dit regime. ‘Albufera’ zou ‘kleine zee’ betekenen en dat verklaart het andere bekendere ‘albufeira’ in Portugal.

Het is dinsdag, 26 april 2022, en we besluiten vandaag dit Nationaal Park te bezoeken vanwege de gunstige weersvoorspelling. Het bestaat uit een grote lagune, van de Middellandse Zee gescheiden door een duinenrij met kustbossen, en moerassen rond de lagune die getransformeerd zijn in rijstvelden. Er wordt gevist, rijst verbouwd, zout gewonnen. En gerecreëerd en paella gegeten.

Onderweg passeren we de nieuwe monding van de rivier de Turia aan de zuidkant van de stad. We stappen uit bij de ‘Gola del Pujol’ voor het mooie uitzicht over de lagune met enkele rondvaartbootjes en constructies van visnetten in het water.

Langs de enige doorgaande weg wandelen we naar het Bezoekerscentrum van Albufera, waar een uitkijktoren uitzicht biedt over een deel van het gebied en een wandeling van een paar kilometer is uitgezet langs uitlopers van de lagune. Af en toe loop je door een tunneltje van over het pad buigende bomen en struiken. Talloze flamingo’s staan op één poot in het ondiepe water, roze ouders en bleke pubers. In hun gezelschap vele meeuwen (onder andere kokmeeuwen en visdiefjes) en bergeenden, maar tot mij genoegen ook vele steltkluten. Slechts eenmaal heb ik in Nederland een koppeltje steltkluten mogen aanschouwen, in Zeeland. Hier doodnormaal! Albufera is een belangrijke foerageerplek tijdens de migratie van de trekvogels in voor- en najaar.

Onderweg kijken we ook naar de plantjes. Deels bekend  zoals avondkoekoeksbloem, rood guichelheil, zwarte toorts, en duifkruid. Deels soorten verwant aan onze flora, maar toch net weer anders, zoals een soort geel kroonkruid en een stekelige centaurie. Helemaal nieuw voor ons zijn een prachtige affodil (Asphodelus fistulosus), de rotsroos (Cistus salviifolius) en de stekelbladige asperge (Asparagus acutifolius). En dan de pekklaver (teerklaver, asfaltklaver), waarvan de Latijnse naam al aangeeft wat je kunt verwachten: Bituminaria bituminosa. Niet dat de plant op bitumen of asfalt gedijt, maar de bladeren ruiken bij kneuzing naar pek.

Bij de zo bekende Italiaanse cipres vallen van dichtbij de grote vrouwelijke kegels op (zo’n vier centimeter in doorsnee), terwijl wij het in Nederland moeten doen met de piepkleine kegeltjes van de verwante ‘levensbomen’.

We wandelen verder langs de doorgaande weg naar het dorp El Palmar. Helaas is langs deze weg nog geen wandelpad aangelegd. In de drassige velden tussen de Citrus boomgaarden (vooral citroen) zien we een exemplaar van de purperkoet, een soort dino onder de koeten. Door de rijstteelt wordt El Palmar beschouwd als de bakermat van de Valenciaanse paella op basis van kip en konijn (en slakjes!). Ik moet er opnieuw aan geloven. Erg zout deze keer, minder lekker dan de eerste avond in de stad.

We moeten ons nog haasten om rond vier uur de laatste bus terug naar Valencia te halen. Daardoor geen kans op een romantisch boottochtje op de lagune tegen zonsondergang, een populaire bezigheid.

Omdat we vrij laat paella hebben gegeten volstaan in de avond enkele pinchos (pintxos), een Baskische specialiteit.

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/452624468]           

 

Gepost: 15 Juni 2022