FIETSEN: Waterlinie 3 – Veenmoeras

Donderdag, 12 mei 2022. De koeien van de familie Oosterloo hebben zich rustig gehouden vannacht, afgezien van een onbedaarlijk geloei rond middernacht. Boerin Hiltje (tevens postbode in De Wilp) vertelt vanochtend dat rond half twaalf een koe luidkeels gekalfd heeft.

Vandaag een zuidwestelijke lus vanuit ‘7Huizen’ langs de ontoegankelijke veenmoerassen op de grens van Friesland en Drenthe, inclusief het brongebied van de Tjonger. Je kunt je nu nauwelijks meer voorstellen dat het mooie cultuurlandschap hier ontoegankelijk was, met uitzondering van enkele hogere zandruggen door het veen. Toch zijn er nog wel moerassige restanten, zoals het iets oostelijker gelegen beekdal van De Slokkert (zie: ‘Noordwest Drenthe’).

In Allardsoog komen we langs een Natuurvriendenhuis van de Stichting NIVON (Nederlands Instituut voor Volksontwikkeling en Natuurvriendenwerk). Dat klinkt erg sociaal-democratisch en NIVON werd dan ook opgezet voor duurzame vrijetijdsbesteding van arbeiders in de natuur. De stichting heeft een dertigtal accommodaties, verspreid over het land waar je ‘arbeiders’ in de natuur kunt tegenkomen. En langs de weg hier een mooie pluk cipreswolfsmelk in bloei. Bij Restaurant De Drie Provinciën realiseren we ons dat hier Friesland, Groningen en Drenthe elkaar raken.

In het dorp Een-West ligt de meest oostelijke schans van de Friese Waterlinie, de Zwartendijksterschans. Fietsmaat Jan ziet een ‘shortcut’ op zijn knooppunten app, die ons doet belanden in een bos op een wandelpad over zandruggen met onneembare steile hellingen. Die hoge zandruggen door het veen waren nu precies de aanleiding om de Zwartendijksterschans aan te leggen om de verbinding tussen Drenthe en Friesland te blokkeren. De Zwartendijksterschans is één van de weinige schansen die in zijn oorspronkelijke vorm bewaard is gebleven: aarden wal (met een binnenwal) met vier bastions op de hoeken, omgeven door een gracht met Friese pompeblêden. De schans uit 1593 ligt op Drents grondgebied, maar is wel een Friese schans, want de ingang ligt aan de westkant. De eventuele vijand kwam uit het oosten. We lopen even wacht op het hoogste niveau, een afstand van zo’n vierhonderd meter. Omdat de vijand in geen velden of wegen is te bekennen, letten we ook op de plantjes: jonge theeboompjes (struikspirea), vingerhoedskruid en gewoon nagelkruid. En volop brem op de oevers van de gracht.

Bij Haulerwijk fietsen we door het Blauwe Bos. Zanglijsters dienen elkaar van repliek, de bodem is bedekt met flinke populaties salomonszegel en stinkende gouwe.

Na het passeren van het dorp Haule komen we in het brongebied van de Tjonger met enkele zijtakken zoals het Grootdiep, voorzien van een flink aantal vispassages. Onder het bruggetje over de Tjonger stikt het van de dikkopjes (kikkervisjes).

De gehele tocht valt ons al op dat kruidenrijke weilanden aan een opmars bezig zijn, en niet alleen in natuurgebieden. Er wordt duidelijk meer ecologisch en biologisch geboerd. Twee reeën rennen door deze weilanden en komen nauwelijks uit boven het hoge gras, gekleurd door zuring en boterbloem en aanverwante artikelen.

Midden in het brongebied van de Tjonger ligt Oosterwolde, de hoofdstad van Ooststellingwerf. We komen langs de dorpskerk uit 1735 met een klokkenstoel op het kerkhof. Oosterwolde en ook de Tjonger worden doorsneden door de Opsterlandse Compagnonsvaart, gegraven in de zeventiende eeuw voor de vervening van de ontoegankelijke veenmoerassen, zodat uiteindelijk de schansen hun militaire betekenis verloren.

We volgen de Compagnonsvaart naar Donkerbroek, komen eerst langs de zogenaamde flippobrug (de dragers op beide oevers lijken op acht ronde flippo’s). Bij een recente opknapbeurt zijn de flippo’s geschilderd in de regenboogkleuren, een fleurig gezicht.

De nieuwe brug in de provinciale weg over de Tjonger heet Lochtenrek, een oude doorwaadbare plek en archeologische vindplaats uit de laatste ijstijd.

Drie kilometer voorbij Donkerbroek merk ik dat mijn routekaartje en aantekeningen weer eens uit mijn vestzak zijn gewaaid. De laatste notitie maakte ik bij binnenkomst in Donkerbroek. Terug dus naar Donkerbroek: niks! Er zit niets anders op dan de route te vervolgen, we zijn pas halverwege. Onderweg blijf ik speuren en zie ineens in het dorp het routekaartje liggen onder een Araucaria in een voortuintje. En verdomd! Mijn aantekeningen zijn naar de overkant van de weg gewaaid en liggen op een oprit voor het oprapen.

Ik ben hardleers, ben mijn cruciale aantekeningen al vaker verloren (hoewel altijd teruggevonden), leidend tot vertraging en onnodige kilometers. We komen langs ‘Hartenrijk’, een psychosociale Praktijk voor Verlieskunde. Misschien moet ik daar eens aankloppen.

We  bereiken de plek waar ooit de Breebergschans heeft gelegen. Ook verloren gegaan. Een huis zou wel de naam ‘De Schans Breeberg’ dragen, maar zelfs dat huis kunnen we niet vinden. 

Door het dorp Waskemeer en dan over de Duurswouderheide, waar we ons lunchpakket verorberen bij mooie vennen (pingoruïnes uit de laatste ijstijd). Het kleine kerkje met kerkhof van buurtschap Duurswoude lijkt gelegen in ‘the middle of nowhere’, maar de koster/grafdelver legt ons haarfijn de historie van het voormalige wegdorp uit. Dorp Duurswoude werd samengevoegd met dorp Wijnjeterp, en heet nu Wijnjewoude. Naast het kerkje uit de dertiende eeuw staat een klein scheefgezakt huisje. Het doet mij denken aan een baarhuisje, maar volgens onze bron verbleef een Middeleeuwse bisschop daar af en toe om te verpozen (en niet om te baren en ook niet om opgebaard te worden). Langs het pad groeit en bloeit uit de kluiten gewassen kruipend zenegroen.

Via Wijnjewoude komen we op weg naar Bakkeveen in ‘t Oude Bosch, aangelegd als productiebos door de adellijke familie Lycklama à Nijeholt eind negentiende eeuw. In ’t Oude Bosch ligt de prachtige Freulevijver met een prieel. Enkele oude heren zitten in het prieel te ouwehoeren over Johan Derksen net zoals Johan Derksen over anderen zit te ouwehoeren. De freule zou deze gepensioneerde hangjongeren onmiddellijk hebben verjaagd.

We hebben inmiddels de Stellingwerven verruild voor de gemeente Opsterland. Grenzend aan ’t Oude Bosch ligt landgoed De Slotplaats uit de zeventiende eeuw. In het mooie landhuis is horeca gevestigd. Op het landgoed komen we langs een ‘oefenschans’, waarschijnlijk bedoeld voor berekeningen tijdens de wiskundeles. En dan was onze meest vooraanstaande vestingbouwer, Baron Menno van Coehoorn, vast gastdocent.

Een kruis in de bestrating heet het Poepkruis van Bakkeveen. ‘Poep’ was een aanduiding voor Duitse gastarbeiders, grasmaaiers en marskramers, die werk zochten in Friesland. Hier zou een Poep vermoord en beroofd zijn. Hij zal niet de enige zijn geweest.

Via Bakkeveen komen we in het dorp Frieschepalen op de grens met Groningen. De ‘palen’ in de naam verwijzen dan ook naar grenspalen. Hier is de meest noordelijke schans van de Friese Waterlinie gelegen. Was gelegen. Er is niet veel meer van over, maar men heeft in elk geval op het centrale plein de contouren van een schans met bastions in de bestrating verwerkt. Rond het dorpsplein staan een aantal (grens)palen met het dorpswapen, opgebouwd uit de Friese vlag boven een bastion van de schans, die met de punt is gericht op de vlag van de vijand, het Spaanse Aragon. ‘Jo fyts mei hjir útrêste’ staat uitnodigend op een fietsenrek bij het dorpscafé, maar wij fietsen door naar huis in Zevenhuizen via Marum, om thuis te relaxen.

Onderweg nog een wetering met waterviolier, maar ook met – en dat is minder mooi – de grote waternavel, een exoot die waterwegen (zoals de Dommel in Brabant) dreigt te verwurgen. Langs een hele mooie lange fietslaan groeit witte klaverzuring, die spaarzaam begint te bloeien.    

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/452535151]

 

Gepost: 31 Mei 2022

 

Knooppunten: Zevenhuizen, 05, 23, 25, 50, 11, ri. 68 (Schans), 11, 95, 98, 91, 56, 54, 50, 24, 10, 55, 08, 37, 99, 97, 21, 93, 35, 33, 41, 39, 12, 10, 77, 83, 84, 20, 85, 09, 02, 04, 05 (85 km)