FIETSEN: Waddenland

Er gaat niets boven Groningen! De meest noordelijke vasteland gemeente van Nederland is de gemeente Het Hogeland. De naam slaat op het nieuwe aangeslibde land langs de Wadden. De gemeente omvat de hele Waddenkust van de provincie Groningen, van Lauwersoog tot en met de Eemshaven, met in het midden een uitstulping naar beneden tot aan de noordgrens van Groningen Stad. Ook de onbewoonde eilanden Rottumeroog en Rottumerplaat maken er deel van uit.

Toeristisch probeert men de regio aan de man te brengen als Waddenland. Tijdens een kort verblijf in Noordwolde overnachten Marita en ik in Albertsmaheert, bekend van het tv-programma Bed & Breakfast (horen we daar!). Roelof en Ditty Wigboldus hebben hun oude boerderij omgebouwd tot een sfeervol en gastvrij logeeradres van alle gemakken voorzien, omdat de vollegrondteelt van witte kool niet meer rendabel was.

Marita heeft haar eigen programma in Groningen Stad en ik stap op vrijdag, 8 april 2022, op de fiets voor een lange tocht door Waddenland. Wanneer ik om negen uur de schuurdeur van Albertsmaheert uitstap schreeuwt een tjiftjaf moord en brand, maar ik negeer hem, en luister naar de grutto die tenminste netjes zijn naam roept. 

Via de Wolddijk, één van de oudste dijken vanuit Groningen Stad naar het noorden, zak ik eerst af naar de Stad. Het stikt er van de grutto’s in de weilanden. En komt een buizerd te dicht in de buurt, dan krijgt hij een fanatieke grutto achter zich aan.

Langs de weg een reproductie van een schilderij van Jan van der Zee, lid van het Groninger kunstenaarscollectief De Ploeg. Ik kom onderweg nog vele reproducties tegen op plaatsen waar de schilders, naar men denkt, inspiratie voor hun landschappen hebben opgedaan.

In het dorp Noorderhoogebrug aan de noordgrens van Groningen Stad ligt bij moeras Koningslaagte het Bezoekerscentrum Reitdiep van het Groninger Landschap. Er hangt een groot spandoek: ‘Welkom thuis, grutto’. Een vijftal lepelaars – ze kunnen niet lezen – staan op één poot en met hun lange lepel verstopt tussen de veren uit te rusten in het ondiepe water.

Je hebt landmeters en ‘landmeters’. Op deze frisse winderige dag staat een ‘landmeter’ tot zijn middel in de sloot langs de Wolddijk te geometen. Deze stoere kerel van Geomaat geeft me toestemming om een foto te maken.

Ik passeer enkele bruggen om de stad in te komen (over Boterdiep en Van Starkenborghkanaal), vervolgens door het mooie Noorderplantsoen, om uit te komen bij het Reitdiep.

De waterwegen rond Groningen Stad zijn een wirwar. Vanuit het zuiden liepen vanouds de Drentsche Aa ten westen en de Hunze ten oosten langs en deels door de stad. Men is er nog niet in geslaagd de precieze lopen van deze beken ten noorden van Groningen Stad te reconstrueren, omdat er zo veel vergravingen zijn geweest. Het Reitdiep is ook zo’n oude vergraving om Groningen Stad via Zoutkamp met de zee (nu Lauwersmeer) te verbinden. 

Het noordelijke stadsdeel Paddepoel heeft niks met padden te maken en is ook geen waterpoel. Het verwijst naar de ‘pol (hoogte) van meneer Padde’. Via dit gebied met de Zernike Campus van de Universiteit van Groningen – Zernike was in 1953 Nobelprijs laureaat voor Natuurkunde – volg ik het Reitdiep over het Hooglandsterpad tot de Dorkwerdersluis, de kruising met het Van Starkenborghkanaal. Vrolijk word ik van een berm met slanke sleutelbloem, maar minder van een groot omwald terrein, verboden te betreden. Ik denk eerst een vuilnisbelt, maar vanuit de lucht lijkt het meer op een opslag van vervuild slib. Dat verklaart ook het bordje dat gevaar voor verdrinking aangeeft: drijfzand! Het nog niet opgehoogde deel van het terrein ligt vol met omgevallen dikke bloeistengels van de reuzenbereklauw van afgelopen jaar, terwijl jonge planten alweer omhoog schieten.         

Ten noorden van het Van Starkenborghkanaal blijf ik het Reitdiep volgen tot Wierumerschouw. Het deel van het Reitdiep tussen Dorkwerd en Wierumerschouw wordt beschouwd als de gegraven benedenloop van de Drentsche Aa, en vanaf Wierumerschouw als de gekanaliseerde benedenloop van de Hunze. Ik verlaat het Reitdiep richting Adorp. Aan je kuiten merk je dat Adorp, zoals bijna alle dorpen hier, op een wierde (terp) ligt. Op het hoogste punt een wit kerkje Anno 1667, maar dat is het jaar van een grondige modernisering van het dertiende-eeuwse gebouw. Het landschap wordt wel enigszins ontsierd door de vele hoogspanningsleidingen, die waarschijnlijk hun oorsprong hebben in de Eemshaven.

Het Reitdiepgebied ligt nog vol oude meanders, zoals het Oude Diepje. Mijn route meandert mee langs mooie dorpjes zoals Sauwerd, Klein Wetsinge, Groot Wetsinge en Garnwerd. In principe hebben ze allemaal een kerk en een molen, maar de kerkjes van Sauwerd en Groot Wetsinge zijn afgebroken en vervangen door een kerkje halverwege in Klein Wetsinge. Bij Garnwerd een uithangbord van de boerderij van De Vellinga’s, die niet voor één gat zijn te vangen: ze hebben geen rundveehouderij, kippenfarm of varkenshouderij, maar een ‘Alleshouderij’.

Ik bereik Winsum, in de eerste Anwb schoonheidswedstrijd in 2020, uitgeroepen tot het Allermooiste dorp van Nederland. Nou is dat vrij subjectief, maar het is zeker een mooi dorp met een beschermd dorpsgezicht. Het heeft een kasteelachtig gemeentehuis waar B&W van Het Hogeland zetelt (de gemeenteraad is ‘uit huis geplaatst’ in Uithuizen), een bijzondere kerk met een externe trap naar de toren, twee molens, en brug De Boog over het Winsumerdiep.

Tijdens een tocht op 29 maart 2019 merkte ik op dat ik genoeg speenkruid had gezien voor de rest van mijn leven (‘Hollandse IJssel’. In: 1000110, 2019). Vandaag moet ik er opnieuw aan geloven: wat een overdaad aan speenkruid in de bermen en langs de slootoevers, vaak in gemengd bedrijf met paarsige rozetjes van harig wilgenroosje.

Ten noorden van Winsum is het één grote open vlakte tegen de wind in (windkracht vier) langs Baflo en Eenrum in de richting van Pieterburen. Een wegwijzer geeft aan dat ik op het Pieterpad zit (nog bijna vijfhonderd kilometer naar de Sint-Pietersberg). Een aantal wandelaars begint vandaag welgemoed aan de eerste etappe van Pieterburen naar Groningen Stad. Nu snap ik waarom het Pieterpad loopt van Pieterburen naar Maastricht en niet andersom: meestal de wind in de rug!

Pieterburen heeft een aantal toeristische attracties: wadlopen (ik zie ons nog wadlopen in augustus 2009), zeehondencrèche, start Pieterpad, en een hobbyfarm met poelepetaten en Oudhollandse kuifeenden (met zo’n veerbol achter op de kop). Bovendien een mooie kerk die natuurlijk aan Sint-Petrus (Sint-Pieter) is gewijd, met eromheen een beroemde tuin met stinsenplanten. Helaas kan ik de tuin niet in omdat ik geen cash heb om de entree te voldoen in de automaat. Maar op afstand herken ik onder andere holwortel, kievitsbloem, sneeuwroem, slanke sleutelbloem.

Mocht de afstand tot de Sint-Pietersberg niet uitdagend genoeg zijn, dan zijn er nog wel enkele verlengingen te bedenken naar plekken met ‘Pieter’ in de naam. Op een grote wegwijzer worden een tiental suggesties gedaan, waarvan Pietermaritzburg in Zuid-Afrika (meer dan negenduizend kilometer) de verste is. Deze Pieter heeft overigens helemaal niks met Sint-Pieter uit te staan.

Over de terugweg via Den Andel, Warffum, Onderdendam en Bedum zal ik kort zijn, want ik begin de kuiten te voelen en de stal van Albertsmaheert te ruiken (vers hout). Bij Onderdendam komt de Winsumervaart uit in het Boterdiep. Ik volg het Boterdiep naar Bedum en zie in de verte de scheve toren van de Walfriduskerk. Deze Groninger ‘Toren van Pisa’ staat schever dan de echte Toren van Pisa. Het probleem is alleen dat de echte Toren van Pisa anderhalf keer zo hoog is (zesenvijftig meter tegenover zesendertig), rond is in plaats van hoekig, en vrijstaand in plaats van stevig vastgehouden door de bijbehorende kerk.

De laatste kilometers zijn opnieuw tegen de wind in en bezorgen me bijna de genadeslag.

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/452267430]

         

Gepost: 23 April 2021

 

Knooppunten: 05, 02, 01, 89, 96, 95, 55, 56, 57, 62, 63, 93, 94, 19, 65, 48, 69, 71, 29, 97, 98, 38, 33, 32, 31, 43, 57, 53, 50, 16, 15, 39, 07, 06, 04, 05 (75 km)