WANDELEN: De Bilt

Meer dan honderd buitenplaatsen en landgoederen zijn gelegen op de zuidwestelijke rand van de Utrechtse Heuvelrug tussen De Bilt en Rhenen – Stichtse Lustwarande – en de aangrenzende Laagte van Pijnenburg (tussen de heuvelrug en Het Gooi).

Een bijzondere wandeling tussen Utrecht, Zeist en De Bilt brengt me langs enkele van die buitenplaatsen, sommige met een duidelijke link naar ons koloniale verleden, hoe kan het ook anders. De bezochte buitenplaatsen zijn in vele gevallen afsplitsingen van Landgoed Oostbroek, dat op zijn beurt na de reformatie ontstond op de landerijen van de Sint-Laurensabdij, een belangrijk klooster in de late Middeleeuwen. De monniken van deze abdij waren verantwoordelijk voor de ontginningen van de veengebieden ten oosten van Utrecht na de afdamming in 1122 van de (Kromme) Rijn bij Wijk bij Duurstede.

Het KNMI heeft voor vandaag, dinsdag 29 maart 2022, mooi weer voorspeld voor De Bilt en voor de rest van het land, dus ook voor Het Bildt, een streek in het noorden van Friesland rond Sint Annaparochie.  

De tocht begint met een rondwandeling van twee kilometer op de terreinen van Buitenplaats Sandwijck, met bos, weides voor ‘brandrode’ runderen, houtsingels en watertjes. Een folly van een kapelletje blijkt vooral een duiventil te zijn (opnieuw geen duif te bekennen), en in de kleine werkruimte onder het duivenverblijf staat geen beeld van de H. Geest, maar een schildersezel met onvoltooid werk.

Ik maak kennis met enkele bekende en mij onbekende stinsenplanten. Langs het water mooie bossen van het zomerklokje (meerdere bloemen per bloeistengel). Rond de folly bloeien gulden sleutelbloem, voorjaarshelmbloem en sneeuwroem. In het bos bloeit de bosanemoon, overblijvende ossentong, grote veldbies en grote populaties van de narcis. Daslook en salomonszegel vertonen de eerste bloemknoppen. Het groot sneeuwklokje (met brede bladeren) is grotendeels uitgebloeid.

Sandwijck is sinds 1644 afgesplitst van Oostbroek. De bekendste bewoner is ongetwijfeld Carel Wessel baron van Boetzelaer (1873–1956). Deze baron verbleef van 1906–1922 in Batavia (Nederlands-Indië) als een soort kerkelijke gouverneur-generaal, die de belangen behartigde van de protestantse zending. Na terugkeer ging hij de Nederlandse politiek in als specialist ‘koloniën’ van de CHU (Christelijk Historische Unie). In 1931 schonk van Boetzelaer de ‘overtuin’, het gedeelte van het landgoed aan de andere kant van de doorgaande weg, aan De Bilt voor de aanleg van een stadspark, het Van Boetzelaerpark.    

Ik doorkruis het park langs de centrale vijver met fontein. Naast de paarse en de witte dovenetel bloeit de bonte gele dovenetel volop en bij het water staan al ‘bloemen’ van klein hoefblad te pluizen.

Wanneer ik me door de winkelstraten van De Bilt heb geworsteld, kom ik langs de vijver van IJsclub Het Biltsche Meertje, en langs Landgoed Houdringe, ook al een afsplitsing van Oostbroek.

Er volgt een mooie bosroute die uiteindelijk uitkomt bij een recent gereconstrueerde vijver – Vissenkom – als centrale punt van een sterrenbos op Landgoed Beerschoten. Mijn oog valt op de gele bloemen van enkele exemplaren voorjaarshelmkruid (geen voorjaarshelmbloem!) onder de jonge aangeplante boompjes rondom de vijver. Een van de lanen van het sterrenbos is een mooi beukenlaantje dat ooit een berceau is geweest, maar inmiddels van de slavernij is verlost.

Via de Konijnenberg kom ik uit bij de beeldentuin van Paviljoen Beerschoten, waar je sculpturen in velerlei stijlen kunt bewonderen (en aanraken!). Langs de oprit van het landgoed staan als visitekaartje van onze bloemenkwekers vele soorten narcissen bij elkaar: wit, geel, oranje, groot, klein, enkelbloemig, dubbelbloemig.

Vervolgens een wandeling van twee kilometer in het park rond Buitenplaats Vollenhoven. Het landhuis verkondigt zijn naam in een bombastisch fronton met twee putto’s op de voorgevel. In 1827 kocht Godert baron van der Capellen (1778–1848) het landgoed, nadat hij van 1816–1825 na de Napoleontische periode door Koning Willem I tot Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië was benoemd. Godert was ook nog heer van Berkenwoude en Achterbroek (in de Krimpenerwaard), dus dan heb ik zeer recent onbewust door zijn voormalige bezit gewandeld (W215: Berkenwoude). Van der Capellen is een oud Gelders adellijk geslacht van regenten, waartoe ook het buitenbeentje Joan Derk baron van der Capellen (1741–1784) behoorde, één van de grondleggers van de patriottenbeweging (F193: Graafschap-West).     

Een bordje langs het wandelpad geeft de aanbeveling ‘Onthaast u’ en dat doe ik dan ook in dit mooie park met voorjaarsbloemen, waaronder een bodemdek van hartbladzonnebloem (Doronicum) en een stuk moeras met griendwilgen, deels geoogst, deels nog vol wilgentenen.           

Op de Utrechtseweg passeer ik de stadsgrens van Zeist om een blik te slaan op Buitenplaats Blanda. ‘Belanda’ betekent ‘hollander’ of ‘blanke’, zoals ik in Indonesië vaak genoeg ben nageroepen door jonge kinderen. Hoewel de bouwer, dominee Herman Brumund, zelf nooit in de Oost is geweest, kon hij beschikken over een flink familiekapitaal uit de tabakshandel van zijn vader. Hij eerde met de naam ‘Blanda’ zijn oudere broer Jan Brumund (1814–1863), die zendeling was in Nederlands-Indië en bijgedragen heeft aan de beschrijving van boeddhistische en hindoeïstische monumenten op Java.

Na enkele lange rechte landwegen doemt het UMC Utrecht voor me op en de ingang van het restant van Landgoed Oostbroek, de oudste van de buitenplaatsen in De Bilt (eind zestiende eeuw). Oostbroek wisselde vele malen van eigenaar. Door opsplitsing ontstonden andere buitenplaatsen zoals Sandwijck, Houdringe en Vollenhoven.

Ik volg op het landgoed het Knuppelpad. Het vergezicht aan de voorkant van het landhuis wordt inmiddels verstoord door de A28. Aan de achterzijde is het een stuk beter. Een bermbordje verwijst in het bos naar de hoogste es van Nederland (veertig meter hoog, drie meter zeventig in omtrek, gekiemd rond 1877). Ik kan hem niet ontdekken, maar er ligt wel een grote boom te vermolmen op de bosbodem. Ik vrees dat de es niet meer is. Overigens wist ik niet dat de karakteristieke zwarte knoppen ‘bokkenpoten’ worden genoemd. Verderop een prachtige klimboom, een eeuwenoude Taxus, die dus absoluut niet als klimboom gebruikt mag worden, zo gebiedt het bermbordje. Hoe ‘oud’ deze Taxus ook is (eind negentiende eeuw), hij is echt nog piepjong, want hij kan wel duizend jaar oud worden.

Over het landgoed loopt een oude bedding van de Kromme Rijn. In de waterpartij twee parende grauwe ganzen. Deze ruwe seks leidt bijna tot de verdrinkingsdood van het wijfje.

Het Knuppelpad is verduurzaamd, het hout vervangen door stalen platen. Het pad heet de Mathildebrug, een verwijzing naar keizerin Mathilde die in 1122 het moeras Oostbroek schonk aan een groep monniken, het begin van de Sint-Laurensabdij en van dit verhaal.

Via een fietsbrug steek ik de A28 over. Een huis aan de overkant heet ‘De Groene Bedstee’, blijkbaar de naam van een oude landweg. Het herinnert me aan de prachtige berceau op Landgoed Mariëndaal bij Oosterbeek, die ook die naam draagt (W213: Hemelsche Berg).

Langs de imposante gebouwen van het KNMI ben ik weer terug op mijn uitgangspunt bij Buitenplaats Sandwijck.

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/452238149]

 

Gepost: 19 April 2022

 

Koloniaal  erfgoed te voet: De Bilt (20 km)