WANDELEN: Leudal

Ik heb meteen zo mijn bedenkingen bij de Komoot.nl beschrijving van wandeling 234514 in het Leudal, die ik van Internet heb geplukt (na 478 meter linksaf, na 134 meter rechtdoor, na 130 meter rechtsaf). Lijkt erg op de systematiek die Route*You toepast en waar ik ook al eens op gevloekt heb (‘Route*You’. In: Lustrum, 2017). Gelukkig blijkt op het startpunt bij het Leudalmuseum exact dezelfde wandeling te worden gemarkeerd door zeer duidelijke bordjes ‘Het Leudal’ van het Maas-Swalm-Nette Netwerk.

Het Leudal is een natuurgebied (deels Natura 2000) bij Haelen en Nunhem in Limburg langs de oevers van de Leubeek. De Leubeek is het verlengstuk van de Tungelroyse Beek. Stroomafwaarts gaat de Leubeek – samen met de Zelsterbeek en de Haelense Beek – over in de Neerbeek om uit te monden in de Maas. Bij Neer!

Op donderdag, 3 februari 2022, ga ik wederom met vriend Roel op stap, altijd een uitgelezen kans om mijn flora kennis te verbeteren op het gevaar af te verzuipen in een mossenmoeras, waar hij zijn specialiteit van heeft gemaakt.

Het Leudalmuseum en horeca zijn gevestigd in de oude boerderij St. Elisabethshof uit 1875. Met een watermolen die loze rondjes draait, losgekoppeld van vroegere nuttige bezigheden.

We wandelen meteen in bossen langs de sterk meanderende Leubeek met zeer steile oevers en holle paden met leemwandjes waar mossen welig tieren. Ideaal voor ijsvogeltjes ook, maar die laten zich vandaag niet aan ons zien. Wel een aalscholver die op een boomstronk in het water zijn vleugels aan het droogwapperen is. Vele omgevallen of omgeknaagde bomen liggen over en in de beek. Beverpaadjes alom. Bevers moeten hier echt het gevoel hebben dat ze helemaal hun gang kunnen gaan en maar aan mogen rotzooien.          

We horen eerst de rustige gefaseerde roep van een boomkruiper en daarna als contrast de veel onrustiger zang van de boomklever.

Enkele varens passeren de revue: brede stekelvaren, mannetjesvaren, dubbelloof en eikvaren. We zien rozetten van de bosveldkers en later ook de kleine veldkers die al voorzichtig enkele bloemetjes probeert te openen. Het bos vertoont vele plukken van de grote en de ruwe veldbies, herkenbaar aan de lange omgekrulde haren op de bladrand.

Een nog functionerende watermolen is de Leumolen, opeenvolgende versies sinds de vijftiende eeuw. In de gevel werd in de negentiende eeuw een beeld geplaatst van de heilige Ursula (vervangen door een nieuw beeld in 1961) en daarom staat de molen ook bekend als de St. Ursulamolen. Over de aanleiding tast ik in het duister, want ze is de patroonheilige van leraressen en schoolkinderen, maar niet van watermolens. Het is trouwens zeer de vraag of de heilige Ursula van Keulen wel ooit heeft bestaan.

Op de meest oostelijke punt van onze wandeling een lange aflopende oever die dient als speelplaats: een kindergroeve met kinderholen. Vlakbij komen de Leubeek en de Zelsterbeek bij elkaar. We lopen nog een eindje verder door tot vlakbij de Haelense Beek. Met z’n drieën vormen ze de Neerbeek. Hier ligt de bijzondere St. Servaaskapel mooi tegen een heuvel aangeplakt, uiteraard met een St. Servaascafé ernaast, bij de ingang van Landgoed Vrijthof. Nunhem is van oudsher, net als Maastricht, een plaats van St. Servaasverering en bedevaart.    

We wandelen terug en steken de Leubeek over middels een restant van een voetgangersbaileybrug uit de Tweede Wereldoorlog. We volgen dan de loop van de Zelsterbeek, die kleiner is dan de Leubeek, maar net zo mooi meandert. Een opvallende heuvel is de Groaveberg. Het verhaal gaat dat de heuvel is opgeworpen boven het graf van een gravin uit Roggel, zodat haar behekste geest niet zou kunnen ontsnappen.

Een opstopping in de beek lijkt verdacht veel op een beverdam. In de bossen enkele planten valse salie en matten van de rankende helmbloem. Roel wordt een beetje lyrisch bij een hele mooie populatie van gerimpeld platmos. Ik moet toch maar even iets dieper duiken in het mossenmoeras, zodat ik niet elke keer dezelfde domme vragen stel.

Ik herken inmiddels kussentjesmos, fraai haarmos, zandhaarmos en groot laddermos (en gewoon haakmos, dat mijn gazon heeft overgenomen). Die behoren, evenals gerimpeld platmos, tot de groep van de bladmossen. Een andere grote groep zijn de levermossen (ik laat de groep van de hauwmossen maar even buiten beschouwing). De levermossen vallen uiteen in twee groepen: thalleuse levermossen en bebladerde levermossen. Hoe onderscheid ik bladmossen van levermossen (met name bebladerde levermossen)? De theorie is dat de bladeren van levermossen in twee rijen zijn gerangschikt (of in drie, maar dan met de onderste rij veel kleiner), óf ze hebben geen duidelijk gedifferentieerde stengel en bladeren maar een thallus. Bovendien bezitten de bladeren van levermossen geen nerf, die van bladmossen wel. Om dit allemaal te constateren, is een loep geen overbodige luxe.

Nu de praktijk nog! In elk geval zien we (ziet Roel!) twee thalleuse levermossen op de oeverwand van de Zelsterbeek: het grote en zeldzame kegelmos en het veel kleinere en algemene plakkaatmos, gebroederlijk naast elkaar. 

Op de heide bij Boscafé Busjop, langs de Busschopsweg in Heythuysen (die bisschop had waarschijnlijk een glaasje te veel op!) een groot aantal grafheuvels. De eerste aflevering van de tv-serie ‘Het Verhaal van Nederland’ vertelt dat er in Nederland ongeveer vijftienhonderd van deze grafheuvels liggen. Niet echt bijzonder dus, ik ben ze al op zovele plaatsen tegengekomen. Wat ik echter niet wist is dat die grafheuvels een erfenis zijn van het nomadenvolk Jamna en dat ons DNA voor meer dan de helft afkomstig is van dit volk, dat zich vijfduizend jaar geleden vanuit de Russische steppen over Europa verspreidde. Kunnen we Poetin niet kalmeren door hem te vertellen dat we verwant zijn?

De rest van ons DNA is afkomstig van de landbouwers die tienduizend jaar geleden vanuit het Midden-Oosten onze kant opkwamen, met nog een scheut DNA van de jager-verzamelaars die vijfenveertigduizend jaar geleden uit Afrika over de wereld uitwaaierden. Drie prehistorische golven van immigratie. De Jamna-golf bracht ons gedomesticeerde paarden, het wiel, hoogstwaarschijnlijk de basis van de Europese talen, en een vroege variant van de pestbacterie. Die pest was misschien wel de oorzaak van het geruisloos verdwijnen van de landbouwers uit de tweede golf. 

We steken de Tungelroyse beek over en komen dan in de buurt van Landgoed De Bedelaar van de fameuze Eugène Dubois (1858–1940), die ook zijn steentje aan de kennis over onze afstamming heeft bijgedragen. Hij vond bij de Solo rivier in Midden-Java fossiele botten van de Java-mens, Homo erectus. Tussen het uitsterven van Homo erectus en het ontstaan van Homo sapiens zit nog wel een tijdspanne van zo’n honderdduizend jaar, dus we hebben niet rechtstreeks met elkaar gerommeld. Omdat vakgenoten in eerste instantie zijn vondsten niet op de juiste waarde wisten te schatten, raakte Dubois aardig gefrustreerd en trok zich terug op dit landgoed, waar hij de fossiele resten bewaarde in een brandkast, onbereikbaar voor vakgenoten. Uiteindelijk werd hij gedwongen de fossielen af te staan aan Naturalis, waar ze nu prominent worden geëtaleerd (‘Pithecanthropus’. In: Siem Sing a Song, 2020). Op zijn landgoed deed Dubois allerlei ecologische experimenten. We wandelen even naar de gerestaureerde uilen- en vleermuizentoren die diende voor natuurlijke bestrijding van knaagdieren en muggen.         

Op de terugweg passeren we een dood lariksbos. Net als vele fijnsparbossen heeft dit bos geleden onder de droogte van vorige zomers en de genadeklap gekregen door de letterzetter, een kevertje dat zich in de schors vermeerdert.

Vlakbij het eindpunt van de wandeling ligt het St. Elisabethklooster, nu onderdeel van een zorginstelling. Bijzondere constructies in de kloostertuin zijn een vrijstaande traptoren, die geen enkele verbinding meer heeft met de huidige gebouwen. Ook apart staat een prachtig pesthuisje uit 1682. Met dank aan de Jamna!

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/451798247]    

       

Gepost: 17 Februari 2022

 

Maas-Swalm-Nette Route: Het Leudal (16 km)