FIETSEN: Tjonger

Vorige week een wandeling bij de Tjongerdellen, vandaag een fietstocht om een nog veel langer deel van rivier de Tjonger te ervaren. In tegenstelling tot het koude maar zonnige winterweer van de wandeling, vandaag, donderdag 30 december 2021, een grauwe, grijze winderige dag, maar het blijft gelukkig overwegend droog.

Ik start in Oudeschoot, dat bijna als Heerenveen-Zuid was opgeslokt door Heerenveen, maar Heerenveen had eigenlijk Oudeschoot-Noord moeten heten, want Oudeschoot is veel ouder. Rivier de Tjonger stroomt net ten zuiden van het dorp. Terwijl Heerenveen zich pas begint te ontwikkelen rond 1550, heeft men in Oudeschoot op de oevers van de Tjonger de fundamenten gevonden van een hospitaalklooster uit ongeveer 1300 van de Duitse Orde, één van de drie grote ridderordes uit de tijd van de kruistochten, samen met de Tempeliers en de Maltezer Orde. Er schijnt nog steeds een Balije (‘Provinciehuis’) van de Duitse Orde te zijn in Utrecht, tegenwoordig een puur protestantse charitatieve instelling.

In 1580 werd tijdens de Tachtigjarige Oorlog het klooster vervangen door een schans van de Friese Waterlinie, die de oversteekplaats over de Tjonger moest verdedigen tegen de Spanjaarden en hun handlangers.

Ik steek de Tjonger over, geen Spanjaard te zien. Maar aan de overkant verandert wel ineens de Tjonger van naam. Tjonger wordt Kuinder in goed Nederlands. De rivier vormt namelijk de taalgrens tussen het Fries (West-Germaanse taalgebied) en het Stellingwerfs (Saksisch taalgebied). Dat die nogal verschillen blijkt uit de Friese naam Tsjonger en de Stellingwerfse naam Kuunder. Ik houd in dit verhaaltje de Nederlandse naam Tjonger aan, hoewel ik inmiddels weet dat mijn ‘roots’ aan moeders kant in de Stellingwerven liggen.

Langs de waterloop volg ik het Tjongerpad. Aan de overkant staat langs het water een hele mooie, vrij kleine, getailleerde poldermolen, de Tjongermolen.

Tot eind negentiende eeuw was de Tjonger een sterk meanderende rivier, waarvan slechts de benedenloop (van de monding bij Kuinre tot Oudeschoot) bevaarbaar was. Rond 1880 werd de bovenloop gekanaliseerd en werden voormalige doorwaadbare plaatsen en dammen voorzien van een ophaalbrug. De eerste die ik tegenkom verving de ‘middelste dam’, bij dorp Mildam.

Een klein bordje ‘Jabikspaad’ (Jacobuspad) aan een verkeersbord wijst in zuidelijke richting. Blijf je de bordjes volgen, dan kom je uiteindelijk terecht in Santiago de Compostella. Ga je in tegengestelde richting, dan eindig je in Sint Jacobiparochie in het noorden van Friesland.

Een eindje richting dat zuiden ligt Oldeholtwolde (iets ten noorden van Oldeholtpade!). Hier zijn bij opgravingen sporen en werktuigen gevonden van rendierjagers die het gebied onveilig maakten op het eind van de laatste ijstijd (vijftienduizend jaar voor het begin van onze jaartelling). 

Ik fiets nu de lus die ik vorige week grotendeels gewandeld heb (zie: ‘Tjongerdellen’), maar in tegengestelde richting. Door de dorpen Ter Idzard en Oldeholtpade, over de Linde via de Kontermansbrug, en door De Hoeve. Dan langs de Noordwoldervaart (mijn oog valt op een dooie Canadese gans in het water), terug over de Linde via het mooie witte ophaalbruggetje. De boktjasker staat nog bewegingsloos tussen het riet, evenals de grote zilverreiger.

Vanaf Nijeholtpade gaat het richting Oldeberkoop, een paar decennia in de negentiende eeuw de hoofdstad van Ooststellingwerf. Mijn familieleden in het noorden hebben het regelmatig over Oldeberkoop, vanwege de zomerse kunstmanifestatie ‘Open Stal’. Mij vallen op langs de weg de bamboekwekerij Boryana met een mooie bamboetuin, en even verderop de kwekerij Exoterra, specialist op het gebied van winterharde exoten. Soms blijkt een ontsnapte exoot (speciaal winterharde!) een woekeraar en worden er honderden vrijwilligers gemobiliseerd om de exoot uit ‘onze’ natuur te verwijderen, meestal zonder succes.   

Mijn route gaat via het natuurgebied Meulereed terug naar de Tjonger, waar ik uitkom bij Sluis I met een sluiswachterswoning, een oase tussen hoge bomen in uitgestrekte rietvelden. Door de harde wind vliegen de schuimvlokken in het rond in de vispassage. Op de andere oever zie ik grote groepen kolganzen en zelfs een zwerm kieviten, ik neem aan kieviten die helemaal niet weg zijn geweest, maar rekenen op een milde winter. Iets verderop ligt Sluis II en een ophaalbrug in de Nijeberkoopseweg (als Oldeberkoop bestaat, dan is er ook een Nijeberkoop!).

Er volgen moeiteloze kilometers stroomopwaarts op de rechteroever, met de stormwind in de rug, tot aan een bijzonder kunstwerk langs de weg bij de Prikkedam, een bijna rechtopstaande ‘zonnewijzer’. Van verre kijk ik tegen de achterkant aan en moet ik denken aan de ‘Tong van Lucifer’ (‘Knargebied’. In: Dreamgirls, 2018), maar aan de voorkant blijkt het een metalen uitgeholde ‘boomstam’ te zijn, een ‘Tjongerkano’, ter nagedachtenis aan de millennia oude bewoning langs deze waterloop, zoals die rendierjagers van Oldeholtwolde.

Richting Jubbega zie ik eindelijk een drietal reeën. Enkele ‘Appaloosa’ paarden galopperen door de plassen in hun natte weide. Ik heb wat meer waardering voor dit gevlekte ras gekregen sinds ik de voorbereidingen zag voor het Europees Kampioenschap 2019 ‘Appaloosa Show’ in het kleine dorp Grathem in de Kempen (‘Kempense Beken’. In: Siem Sing a Song, 2020). Vervolgens wordt het ploeteren tegen de wind in, van Jubbega terug richting Heerenveen, langs allerlei sporen die wijzen op de vervening van het gebied door de Heeren van het veen: Schoterlandse Compagnonsvaart, Eerste tot de zoveelste Wijk, een mooi bewaard gebleven vervenershuisje onder een majestueuze beuk, geplant in 1861.

Over de Compagnonsvaart liggen enkele vaste bruggetjes waaronder de ‘Sing Sang brug’. Misschien vernoemd naar de plaatselijke Chinees, maar ik moet natuurlijk denken aan Siem Sing a Song (2020).

Vanaf dorp Bontebok, vernoemd naar een café, binnendoor door de weilanden naar de bossen van Oranjewoud. De gewone waterranonkel groeit volop in de boerensloten, zelfs ijs vormt geen belemmering.

Oranjewoud is bekend terrein, al is er veel veranderd sinds mijn eerste schoolreisje in de vijftiger jaren vanuit Sneek. Eind zeventiende en de hele achttiende eeuw was dit het favoriete buitenverblijf van de Friese stadhouders. Rond 1800 wordt alles afgebroken en verkocht en worden er enkele landhuizen gebouwd door rijke families. Er verschijnen recreatieve voorzieningen: hotel, speeltuin, doolhof, uitkijktoren. Het knusse Museum Belvédère verrijkt het gebied nog eens extra. Heb al eens met vrienden genoten van dit prachtige wandelgebied met een combinatie van natuur en cultuur (‘Oranjewoud’. In: Dreamgirls, 2018).            

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/451502970]            

 

Gepost: 10 Januari 2022

 

Mooisteroutes.nl: Tjonge(r)! (63 km)