SELFIES: Terug naar Afrika 4: Côte d'Ivoire

De vlucht van Cotonou naar Abidjan met Air Ivoire wordt op de dag zelf enkele uren uitgesteld, maar verder loopt alles voorspoedig, gewapend als we zijn met een recente PCR-test en e-visum. We worden op de luchthaven Félix Houphouët-Boigny netjes opgewacht door lokale medewerkers van East-West Seed. 

Hiermee hebben we meteen de belangrijkste Ivoriaan genoemd (afgezien van Sébastien Haller van Ajax). Félix Houphouët-Boigny was van 1956–1958 Frans minister en werd bij de onafhankelijkheid van Côte d’Ivoire in 1960 de eerste president. Tot aan zijn dood in 1993! Daarna brak de strijd om de macht los en hebben enkele machtswellustelingen een burgeroorlog veroorzaakt en het land dertig jaar teruggezet in de tijd. Ik moet op de luchthaven even terugdenken aan zondag, 22 oktober 2000, toen ik met collega Roel op weg was van Accra naar Cotonou, met een tussenlanding in Abidjan. Het was de dag van omstreden verkiezingen en het begin van de burgeroorlog. Onze vlucht naar Cotonou was de laatste die nog mocht vertrekken, daarna werd de luchthaven door militairen hermetisch afgesloten (‘Bienvenue en Côte d’Ivoire’. In: It giet oan!, 2016). 

In het stabiele tijdperk van Houphouët-Boigny ben ik tussen 1976 en 1980 vier jaar beheerder (Monsieur le Directeur) geweest van het ‘Centre Néerlandais’, een kleine dependance van Wageningen Universiteit bij het Franse onderzoeksstation ORSTOM in Adiopodoumé. Daar heb ik mijn onderzoek aan de vruchtgroente okra kunnen uitvoeren. Trouwens, het grootste deel van het landbouwkundig onderzoek met gespecialiseerde instituten zoals IRCC voor koffie en cacao, IRCA voor rubber, IRFA voor fruit, IRHO voor oliepalm, IRCT voor katoen en ga zo maar door, was in Franse handen. Via bemiddeling van het ‘Centre Néerlandais’ konden Wageningse ‘tropen’ studenten stage doen bij deze onderzoeksinstellingen. In de tachtiger jaren zijn deze instituten genationaliseerd en de meeste Franse onderzoekers vertrokken. Het ‘Centre Néerlandais’ is ook in die tijd door Wageningen Universiteit afgestoten. In de uitstekende faciliteiten van het ORSTOM heeft men in de negentiger jaren geprobeerd een internationaal instituut te vestigen, het IIRSDA (Institut International de Recherche Scientifique pour le Développement en Afrique), maar dat is op een mislukking uitgelopen. Nu huist er de hoofddirectie van het CNRA (Centre National de Recherche Agronomique). We nemen een kijkje op de terreinen, maar het geheel maakt een desolate, slecht onderhouden indruk. Het degelijke studentenverblijf van het voormalige ‘Centre Néerlandais’ staat nog fier overeind, maar van de houten woning waar ik met gezin woonde is niets terug te vinden. Waarschijnlijk opgevreten door de termieten.

Afgezien van inventarisaties van (super)markten en groentetelers in en rond Abidjan, maken we ook een uitstap naar Yamoussoukro en Bouaké, ongeveer in het midden van het land. In de geleidelijke overgang van de regenwoudzone (er is niet veel woud meer over) naar de savanne maken rubber- en oliepalmplantages plaats voor teakbossen, bananen-aanplanten en cashew boomgaarden. Het open landschap wordt beheerst door verspreid staande ‘rhôniers’ (Borassus palmbomen) en ‘fromagers’ (kapokbomen). Weinig veeteelt, behalve Peul nomaden die rondtrekken met hun kuddes. Mooie vogels ook, waaronder de koereiger (pique-bœuf), kleine duifjes waarvan de rode oogjes ’s avonds glinsteren in het licht van de koplampen, wevervogels met hun kunstzinnige nesten, een soort bonte kraai, een kleine toekan en een vogel met een hele lange staart. Prachtige vogelgeluiden in de vroege ochtend.  

Yamoussoukro is de geboorteplaats van Houphouët-Boigny. Dat heeft het dorp geen windeieren gelegd: een snelweg vanuit Abidjan, overbodig brede boulevards, overal straatverlichting, een presidentieel paleis met een gracht vol prachtige lotusbloemen en vervaarlijke krokodillen, destijds een subtiele waarschuwing aan het adres van zijn politieke vijanden.

Het bizarre hoogtepunt van zijn erfenis is de ‘Basilique de Notre Dame de la Paix’, waar de Sint-Pieter helemaal inpast. En helemaal uit eigen zak betaald! Schande dat paus Johannes Paulus II de eerste steen heeft gelegd in 1985 en dit toppunt van megalomanie heeft ingezegend in 1990. Maar de grootste en meest bijzondere bouwwerken komen nu eenmaal vaak voort uit megalomanie.

Yamoussoukro wordt goed bewaakt door een legeronderdeel met als lijfspreuk: Facta non Verba (Geen woorden, maar daden, leve Feijenoord 1). Dat staat haaks op de lijfspreuk van de NATO: No Action, Talk Only.

Rond Yamoussoukro zijn veel kunstmatige meertjes aangelegd, ideaal voor commerciële groenteteelt op de oevers. Regelmatig doen we ons tegoed aan lokale gerechten in kleine wegrestaurantjes: aloko (gebakken banaan), attiéké (cassavemeel), of akassa (maismeel), met gebakken kip of vis. De glibberige okra saus laat ik graag staan.

Het uitstapje naar Bouaké, de tweede stad van het land, zal ons nog lang heugen. Men is druk bezig de snelweg van Yamoussoukro door te trekken naar Bouaké en Korhogo, en zelfs de grens over naar Burkina Faso. Ondertussen wordt de oude weg niet meer onderhouden, en er is niets gevaarlijker dan een asfaltweg met diepe gaten, waar het verkeer tussendoor slalomt. Het is vooralsnog de enige weg voor al het transport tussen Abidjan en de Sahel landen. ‘Grumiers’ met boomstammen, zwaar beladen vrachtwagens met uien, tankwagens voor de bevoorrading van de sporadische benzinestations in het gehele land, alles moet over deze tweebaansweg. Dit traject kan moeiteloos worden genomineerd voor het tv-programma ’De gevaarlijkste wegen van de wereld’. Overigens is de chauffeur van onze pick-up, Babany Coulibaly, geen snelheidsmaniak, en bovendien een fantastische gids die alle groentetelers van het land schijnt te kennen.

Tussen Yamoussoukro en Bouaké ligt Tiébissou. Hier lag tijdens de burgeroorlog de grens tussen het regeringsleger in het zuiden en de rebellen in het noorden. VN en Franse militairen bewaakten lange tijd de bufferzone, niet zonder slachtoffers aan Franse kant.  

Zelfs als de bevoorrading van de benzinestations stokt, kom je in dit land nooit zonder benzine te zitten. Bij kleine winkeltjes om de honderd meter langs de wegen kun je een literfles benzine kopen voor je brommer, of een grote ballonfles met twintig liter voor je auto.              

In tegenstelling tot Benin is Côte d’Ivoire wel een voorbeeld van ‘booming’ Afrika. Abidjan is een wereldstad met al zijn problemen, maar het bruist van de activiteit en levenslust. Bizar dat alle etalagepoppen in kledingwinkeltjes nog steeds blank zijn.

Een van de grootste problemen is het plastic zwerfafval. Geen haan die er naar kraait, niemand die het opruimt. Ondertussen bewonderen wij de inheemse Afrikaanse groenten overal en nergens, een enorme diversiteit op de straatmarkten, maar nauwelijks aanbod in de supermarkten, zeer aanwezig bij de telers, maar ondervertegenwoordigd op de proefvelden. Lang genegeerd in het onderzoek en door de zaadindustrie. Maar daar komt verandering in! Een klein beetje door onze reis.               

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/450694842]      

 

Gepost: 4 Oktober 2021