SELFIES: Terug naar Afrika 3: Benin

Republiek Benin is één van de kleinere West-Afrikaanse landen, maar altijd nog bijna drie keer zo groot als Nederland. Ten oosten ligt grote broer Nigeria en ten westen het even kleine Togo. In het noorden grenst het land aan Niger en Burkina Faso. Het is daar enigszins onrustig door oprukkend terrorisme.

Afrika mag dan ‘booming’ zijn, het lijkt toch een beetje aan Benin voorbij te gaan. De bevolking is in veertig jaar vervijfvoudigd van twee en een half naar twaalf miljoen, zo ook het aantal huizen, auto’s, motoren. De groei van de productie, die grotendeels is gebaseerd op landbouw, met name katoen, kan de bevolkingsgroei maar amper bijhouden. Een groot deel van de bevolking leeft onder de armoedegrens. De twee grote steden in de kuststreek, havenstad Cotonou en hoofdstad Porto-Novo, groeien gestaag naar elkaar toe. Toch zijn vele gebouwen onafgebouwd, en lijken te verpieteren onder de combinatie van tropenregens en felle zonneschijn. Er moet eerst weer geld verdiend worden voor de volgende bouwfase.

Van 1968–1974 was Monsieur Gérard hoofd van een tuinbouwproject, verbonden aan het ‘Centre Horticole et Nutritionnel de Ouando’ in hoofdstad Porto-Novo, met als doel om middels lokale groenten de voeding van met name kinderen te verbeteren. In dit project heb ik in 1971/1972 als praktijkstudent negen maanden mogen meedraaien om proefjes te doen aan belangrijke Afrikaanse groenten zoals de bladgroente amarant en de vruchtgroente okra.   

We wisten al dat van het ‘Centre’ niets meer over is. De gebouwen zijn afgebroken, het papier van de rapporten waarschijnlijk gebruikt als verpakkingsmateriaal of erger. Toch is dit project het begin geweest van een langdurige samenwerkingsrelatie tussen Nederland en Benin. Zo belangrijk dat we op de campus van de Universiteit Abomey-Calavi een ‘Rue des Hollandais’ tegenkomen.

Tussen Cotonou en Porto-Novo ligt het dorp Sèmè-Podji. Vijftig jaar geleden verbouwden ze hier vooral sjalotjes, nu een grote verscheidenheid aan lokale groenten. Destijds gingen we  in de vrije tijd naar Sèmè-Podji om te zwemmen in zee. Goede vriend en jaargenoot Paul is daar met een collega bijna verdronken. Tijdens het zwemmen merkten ze dat ze het strand niet meer konden bereiken door een sterke aflandige stroming. Geen verrassing voor de dorpelingen die al verdekt zaten af te wachten met touwen om tegen betaling levens te redden.

Tussen de groentevelden komen we een boompje (Calotropis procera) tegen uit de Maagdenpalmfamilie. Vrij grote leerachtige bladeren en een paar verkreukelde vruchten tegen de stam die hol en leeg aanvoelen. ’Couilles de pape’ (pauskloten) is de bijnaam van deze verschrompelde, holle vruchten zonder veel inhoud. En nu we toch cynisch bezig zijn, nog een andere associatie. Het plotseling dichtvouwen van de blaadjes van kruidje-roer-me-niet (Mimosa pudica) bij aanraking gaat hier gepaard met het gezegde: ‘Ferme les cuisses, ton mari vient’ (Dijen bij mekaar, je echtgenoot komt er aan).

Verder het binnenland in bloeien de teakbossen en zien we steeds meer plantages van ananas, papaja en katoen. Na een bezoek aan de okra velden van boer Martin Solanie in Agbedranfo, moeten we zijn illegaal gestookte Sodabi proeven, een sterke drank gemaakt van gedestilleerde palmwijn. De smaak is prima. Het glaasje gaat van hand tot hand en van mond tot mond alsof we nog nooit van Corona gehoord hebben.

In kustplaats Ouidah passeren we de ‘Temple du Python’. De python wordt als heilige slang vereerd. Ik herinner me van mijn praktijktijd dat een arbeider op de proeftuin tijdens het verwijderen van de bodembedekker een slapende python tegenkwam. Hij hing de wurgslang om zijn nek, stapte op de fiets en bracht het dier naar een veilige plek.

Alle bijzondere fenomenen zijn hier al gauw bovennatuurlijk. Zo komen we een heilige driekoppige kokospalm tegen, waarschijnlijk uniek in de wereld. De kokospalm is eenstammig, maar deze is in de top vertakt en heeft drie kruinen. De wevervogels zien er het bijzondere niet van in, behalve meer bladeren om hun nesten aan te hangen.

Het oude Portugese slavenfort in Ouidah wordt gerestaureerd. Van het fort loopt een onverharde weg naar het strand waar de slaven werden ingescheept. Er wordt een herdenkingspoort gebouwd op het strand, de ‘point of no return’. Was je hier aanbeland, dan was er geen weg meer terug. Terwijl wij ons in Nederland nog afvragen of het wel zo nodig is om excuses aan te bieden voor onze rol in de slavernij geschiedenis, lees ik tot mijn verbazing en bewondering dat Benin (en Ghana) dat al lang hebben gedaan. Zij hebben beseft dat er lokale handlangers waren van de westerse slavenhandelaars. Als het machtige koninkrijk Dahomey in Benin (of het Ashanti koninkrijk in Ghana) een naburige stam had verslagen, werden de gevangenen als slaven verkocht aan de westerse handelaars.

Door de slavernij is er uiteraard sprake van een grote West-Afrikaanse diaspora. We gebruiken de lunch in het Diaspora Hotel op het strand onder de kokospalmen.

In deze landen is alles handel. Zo probeert een boekverkoper ons tijdens het eten te verleiden met tweedehands zelf-help titels als: ‘Quand on refuse, on dit non’ en ‘Quand on veut, on peut’.

Terug in Cotonou worden we gepasseerd door een kleine kolonne van een viertal auto’s met president Patrice Talon. Het verkeer wordt niet stilgelegd. Hij schijnt niet van al te veel poespas te houden.                    

We maken lange dagen om straatmarkten te bezoeken en groentetelers te spreken rond de stedelijke agglomeraties. De Dantokpa markt in Cotonou slaat alles, de grootste openlucht markt van West-Afrika: een krioelende massa zonder mondkapjes; in de chaos ontwaar ik een forse marktvrouw met handel op het hoofd en getooid in een voetbalshirt met rugnummer ’10 Sneijder’.

Na terugkeer in het hotel nemen we meestal een ‘Béninoise’, niet uit de nachtclub, maar van de tap.

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/450637580]

        

Gepost: 28 September 2021