SELFIES: Rügen

Rügen is het grootste Duitse eiland en ligt in de Oostzee, niet zo ver van de Poolse grens. Onderweg van Lübeck naar Rügen passeren we nog enkele Hanzesteden: Wismar (autokenteken HWI), Rostock (HRO) en Stralsund (HST). Een imposante tuibrug verbindt Stralsund op het vasteland – de naam verraadt Scandinavische invloeden – met het eiland Rügen, ook al een speelbal geweest van Slavische, Deense, Zweedse en Pruisische heersers. Rügen zelf bestaat weer uit een aantal schiereilanden, via smalle passages met elkaar verbonden. Aan de westkant ligt het eiland Hiddensee, dat neigt vast te groeien aan Rügen hetgeen men uit alle macht probeert te voorkomen. De zilte wateren tussen de schiereilanden noemt men ‘Bodden’, een soort lagunes.

De toeristische hoogtepunten liggen vooral langs de oostelijke en noordelijke kusten: vissersdorpen, badplaatsen, krijtrotsen, oer-beukenbossen, vuurtorens. Het binnenland valt op door de gigantische arealen van graan en koolzaad. Wat hier ‘Rapsöl’ heet is niet afkomstig van raapzaad, maar wordt geperst uit het zaad van koolzaad.   

De hoofdstad van Rügen is het centraal gelegen Bergen, zeer bescheiden van omvang (15.000 inwoners). Waarom het Bergen heet ondervinden we tijdens de eerste wandeling naar het centrum: bergop!

Onze eerste uitstap is naar het schiereiland Jasmund, met de vissersplaats Sassnitz en het Nationaal Park Jasmund en Stubnitz. Een wandeling door het natuurgebied, dat bestaat uit zeldzame oerbossen van beuk is een bijzondere ervaring. Andere planten zijn ver te zoeken, want beuken staan door hun dichte bladerdek nauwelijks ondergroei toe op de bodem. De kust bestaat hier uit krijtrotsen en de ‘Königsstuhl’ is de hoogste, maar van boven heb je er eigenlijk maar weinig zicht op. Oeverzwaluwen scheren langs de krijtwanden.

We vervolgen de tocht via de smalle schoorwal Schaabe naar het noordelijkste schiereiland Wittow. Tijdens een snelle blik op strand en zee zie ik een zielig piepend jong vogeltje dat waarschijnlijk vroegtijdig uit het nest is gevallen: een zwarte roodstaart. Het dorp Putgarten – niet te verwarren met Puttgarden op het eiland Fehmarn ten noorden van Lübeck waar je de veerboot neemt naar Denemarken – is het startpunt van een wandeling naar Kap Arkona, de noordelijkste punt van Rügen (en van de voormalige DDR, maar niet van het huidige Duitsland). Er staan twee vuurtorens naast elkaar van verschillend formaat: Watt en Halfwatt. Toen de kleine vuurtoren met zijn ‘halfwattage’ van negentien meter de schepen niet meer kon bedienen, werd ernaast een hogere vuurtoren gebouwd (zesendertig meter hoog). De naam van deze Kaap roept herinnering op aan de ramp met het Duitse schip Cap Arcona dat met duizenden vluchtelingen uit Duitse concentratiekampen aan boord in 1944 door de geallieerden tot zinken werd gebracht in de Bocht van Lübeck. Het echte noordelijkste puntje van Rügen ligt paar honderd meter westelijker van de vuurtorens, bij Gellort. Je kunt hier afdalen van de klif naar de ‘Siebenschneiderstein’, één van de grootste zwerfstenen van Rügen. We wandelen langs de locatie van de Jaromarsburg naar het kleine kustplaatsje Vitt. De Jaromarsburg had een belangrijke tempel gewijd aan de Slavische god Svantovit. Je zou denken dat de dorpsnaam Vitt daarvan is afgeleid. We hopen op horeca in het kleine vissersdorp met slechts een handjevol huizen, maar we vissen achter het net. We zien wel bij de visboer een bak liggen met de tekst ‘Visafslag Lauwersoog b.v. 2003’. Zeker aangespoeld.         

Op de tweede dag van ons verblijf doen we een ‘Treetop Walk’, die eindigt met een uitkijktoren die ver boven de boomtoppen uitstijgt. Vlakbij ligt langs de kust Prora, een KdF-nederzetting van aaneengeschakelde flatgebouwen met een totale lengte van twee en een halve kilometer. Hitler had bedacht dat zijn Nationaalsocialisten hier gezamenlijk een mooie strandvakantie moesten genieten, maar het complex is door de oorlog als zodanig nooit in gebruik genomen. Geen ‘Kraft durch Freude (KdF)’ dus. Gedeelten zijn nog ruïne, andere delen inmiddels gerenoveerd tot appartementen.

We zakken af naar badplaats Binz en maken een wandeling op de pier. Zeilschip Loth Loriën vertrekt net van het uiteinde van de pier voor een rondvaart langs de krijtrotsen. Het schip voert de Amsterdamse vlag in top en de Nederlandse vlag op de achtersteven.

Is Binz de badplaats voor jan met de pet, Sellin heeft de allure van de ‘high society’. De weg naar het strand staat vol met indrukwekkende stijlvolle villa’s, bijna allemaal ingericht voor het ontvangen van badgasten. In zee de prachtige ‘Seebrücke’ met een bewogen geschiedenis die teruggaat tot 1900. De eerste pier van Scheveningen dateert uit dezelfde periode, maar kan zeker nu niet meer concurreren in schoonheid.

In de landwinkels veel flessen ‘Rapsöl’ en producten op basis van duindoorn (marmelade, thee, pasta, snoepjes, sapjes, wijn en andere spiritualiën), terwijl we weinig duin en geen duindoorn hebben gezien. Maar we hebben natuurlijk maar een fractie van het eiland kunnen bezoeken.

Het bezoek aan Rügen was het sluitstuk van een autorondreis door Noord-Duitsland langs de belangrijkste Hanzesteden. Een leerzame tocht. Enkele algemene praktische indrukken? Op Rügen waren we even bevrijd van de zwervers, bedelaars en ‘dealers’ die zo prominent aanwezig waren in Bremen en Hamburg. Denk niet dat je overal met pin kunt betalen, de cash geld economie is in Duitsland nog springlevend. De Duitse keuken heeft de naam nogal vlak van smaak te zijn, maar dan word je toch een aantal keer verrast.

Al het oude van enige waarde is tegenwoordig Unesco Werelderfgoed. Terecht, maar straks kun je je alleen nog maar onderscheiden als je GEEN Werelderfgoed bent.

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/450318367]

 

Gepost: 22 Augustus 2021