WANDELEN: Knarbos

De Knar was voorheen een visrijke ondiepte in de Zuiderzee, ten noordwesten van Harderwijk, een paaiplaats van met name haring. Van de ondiepte werd handig gebruik gemaakt bij de aanleg van de zuidwestelijke buitendijk van Oostelijk Flevoland, de Knardijk. Door de aanleg van Zuidelijk Flevoland werd de Knardijk een binnendijk, een zogenaamde slaperdijk, die loopt van het Wolderwijd bij Harderwijk naar het Markermeer bij Lelystad. De Knar bleek na drooglegging een onvruchtbare zandrug te zijn, ongeschikt voor landbouw. Dan maar een productiebos, inmiddels recreatiebos, het Knarbos. Eén keer eerder fietste ik door het Knarbos, maar dat was in januari na een hevige winterstorm, met omgewaaide bomen in gevaarlijke posities (‘Knargebied’. In: Dreamgirls, 2018).

Ik kom toevallig een brochure tegen – ‘Op de kuierlatten’ – van Landschapsbeheer Flevoland, die het Knarpad beschrijft. En omdat twee krasse knarren meer weten dan één, al weet de één meer dan de ander, haal ik vriend Roel over om me te vergezellen. Dat is overigens riskant, want Roel heeft de naam (onder studenten die met hem op veldexcursie moesten) dat hij als een magneet slecht weer aantrekt. Ook vandaag, dinsdag 29 juni 2021, regent het op weg naar de Meeuwenhoeve, startplaats van de wandeling, maar eenmaal ter plekke blijft het de hele wandeling droog. Maar niet het gras! En het gras op de wandelroute is niet gemaaid. Het staat kniehoog te kriebelen tegen mijn blote onderbenen. We lopen spoedig te soppen in onze wandelschoenen. Naaktslakken en huisjesslakken kruipen en hangen overal tussen de planten. Vanavond een grondige inspectie van lijf en leden om teken op te sporen.

De Meeuwenhoeve is van boerderij tot partycentrum geëvolueerd. De grote lege parkeerplaats fleurt op door onze enige auto. Een spreeuwenwolk heeft wel zin in een feestje en danst door de lucht, nu het land en het partycentrum weer open gaan.    

De Meeuwenlaan is beplant met forse grauwe abelen, die – net als het Knarbos – aangeplant zijn begin zeventiger jaren van de vorige eeuw. Langs de bosrand huppelt een vos de struiken in en even verder staat een ree ons nieuwsgierig aan te staren. Wij hopen de wielewaal te horen en te zien – volgens de verkoopfolder is het Knarbos hiervoor de beste plek in Nederland – , maar die houdt zich helaas gedeisd. Wel horen we vele zangvogels zoals de zwartkop, winterkoning, vink, zanglijster en tjiftjaf. Nou ja, zoals ik al vaker heb aangegeven, beschouw ik de tjiftjaf niet als een zangvogel, maar als een schreeuwlelijk.

Op de bodem een kruipend plantje met gele bloemen en aantrekkelijk uitziende aardbeitjes, waar overigens niet veel smaak aan zit. Het is niet de witbloemige bosaardbei (een Fragaria), maar de oprukkende schijnaardbei met ingesneden bijkelkblaadjes (een Potentilla, maar niet de steriele aardbeiganzerik). Een andere interessante plant is knopig helmkruid, meer een bosplant dan zijn naaste verwanten: geoord en gevleugeld helmkruid.

Onder enkele ‘wilde’ zoete kersenbomen ligt het vol met afgevallen rozerode vruchten en pitten. Vossendrollen en reeënkeutels laten zien dat het niet alleen vogels zijn die deze bomen frequenteren.   

Misschien dat we door de hoge grasvegetatie in de luren zijn gelegd, maar routekaartje in de folder en actuele route lijken niet altijd in overeenstemming. De eerste extra lus is in elk geval in de folder in omgekeerde richting getekend dan de markering in het veld, en is ook langer dan voorspeld.  

Het begin van de extra lus wordt begraasd door Shetland pony’s. Daardoor is de vegetatie opener en dat schept ruimte voor Jacobskruiskruid, Sint-Janskruid, avondkoekoeksbloem, brunel, akkerkool, maar vooral voor de kaardenbol. Voor mij was grote kaardenbol tot nu toe de makkelijk herkenbare grote kaardenbol, maar Roel wijst me er op dat het niet de gewone grote kaardenbol is, maar de slipbladkaardenbol met meer of minder diep ingesneden bladeren. Wel hetzelfde zijn de tegenoverstaande stengelomvattende bladeren, waardoor een kommetje vol regenwater ontstaat, waarin een zangvogeltje een bad zou kunnen nemen (en een tjiftjaf zou kunnen verzuipen!).

Het Knarpad leidt langs enkele objecten uit 2006 van de kunstroute Nieuw Verleden. Het is de bedoeling dat de objecten vervallen door de kracht van de natuur. Dat lukt aardig. Van ‘De drie schuilhutten’ (“hier schuil je voor weer en wind”) zijn er nog maar twee over en ook die zijn geen lang leven meer beschoren. ‘De zwevende balk’ (“hier vergroeit de oude wereld met de nieuwe”) is inmiddels grotendeels vermolmd en de jonge boompjes die erdoorheen groeien zijn dood. Alleen ‘Meetpunt’ (“hier wordt tijd en plaats gemeten”) lijkt van duurzaam materiaal gemaakt, en dat geeft Roel de gelegenheid om enkele buitenaardse mosjes op de vliegende schotel met de tekst ‘Here and Now’ te bestuderen. De vegetatie rond de UFO is overigens kort, en verspreid staan een flink aantal exemplaren van de rietorchis.

Het bos bevat enkele grote open vlaktes. De ene is een zeer natte plek, waar enkele reigers en zelfs een ooievaar zijn neergestreken voor een sappige lunch. Op een tweede droge vlakte staan bankjes in twee heksenkringen en is aan de bosrand een tentzeil gespannen. Een mooie plek voor onze eigen lunchpauze.

In de meer open terreinen slaan distels hun slag, vooral de bloeiende vederdistels (speerdistel en akkerdistel).

Wij zijn weer terug op de basisroute en laten een tweede extra lus (Knarbos-West) uit tijdgebrek aan ons voorbijgaan. Hierdoor missen we de gebroeders bever die zich daar hebben gevestigd.

We zien een tweede vos – met een vrij donkere vacht – het pad oversteken. In het gras een versufte libel die zich goed laat fotograferen, maar het blijkt het vrouwtje van de gewone oeverlibel te zijn. Mannetjes en vrouwtjes van deze libel verschillen hemelsbreed van kleur en inhoud.

Een jonge groene sabelsprinkhaan kruipt door het gras, nog niet in staat om te vliegen. Ondanks de naam is de sabelsprinkhaan nauw verwant aan de krekels, en tjirpt dan ook met zijn vleugels en niet met de poten.

De grassen zijn voor mij nog een ‘mer à boire’, maar Roel wijst me moeiteloos op enkele opvallende bloeiende soorten waar we doorheen ploeteren, zoals kropaar, rietgras, timoteegras en Engels raaigras.

We letten even op de populieren. Ik herken een witte abeel in het bos aan de bladvorm, maar nog opvallender is de zilverachtige onderkant van het blad (zilverpopulier). Ook aan de bladvorm denk ik een zwarte populier te herkennen, al zijn de bladeren aan de grote kant. Het blijkt dan ook de exotische balsempopulier te zijn. De bladknoppen zijn erg kleverig en ruiken heerlijk. Een heerlijke geur wijst je ook de weg naar bloeiende ligusterstruiken. Ik vind het tenminste aangenaam, maar anderen associëren het meer met paardenpis.

Andere bomen en struiken waar we even bij stilstaan zijn de esdoorns (gewone esdoorn, Noorse esdoorn, Spaanse aak), waarbij de Noorse esdoorn van de gewone esdoorn kan worden onderscheiden door de meer hoekige bladvorm, ondersteund door het witte melksap uit de bladsteel.

Vijftien kilometer gewandeld en geen enkele ‘Sapiens’ tegengekomen, behalve degene die ik bij me had. En die is heel ‘sapiens’ zodat ik weer wat ‘sapienser’ ben geworden over onze natuur.

Twee vossen, een ree, Shetland pony’s, een groene sabelsprinkhaan, een gewone oeverlibel, enkele bijzondere bomen en planten. En kunst! Wat wil je nog meer? Een keer maaien misschien om de paden begaanbaar te houden.

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/449979894]

 

Gepost: 15 Juli 2021  

 

Landschapsbeheer Flevoland: Knarpad (15 km).