WANDELEN: Rondom Epen

Zinkboerenkers

Ik zou in het voorjaar een keer met vriend en plantenkenner Roel naar Kelmis in Moresnet gaan, met name om naar de zinkflora te kijken. Moresnet is sowieso een bezoekje waard, alleen al vanwege de bijzondere geschiedenis (mooi beschreven door Philip Dröge in zijn boek ‘Moresnet’). Die geschiedenis hangt nauw samen met de zinkmijn in het voormalige neutrale landje op de hellingen van de Vaalserberg, tegenwoordig deel uitmakend van België. Maar we gaan nu maar even niet de grens over, ik vertrouw de Belgische variant van Covid-19 voor geen cent.

De zinkflora van Moresnet groeit ook langs de Limburgse Geul, want de Geul stroomt in België vlak langs de zinkgroeve. Je moet wel weten waar te zoeken – zoals Roel – want de zink is zo goed als op, dus daalt het zinkgehalte van de Geul, en verdwijnt de bijzondere flora.

We starten op donderdag, 1 april(!) 2021, in Epen en wandelen westwaards door het glooiende landschap richting het Onderste Bos, op de westelijke hellingen van het Geuldal.

Een boom die van nature veel voorkomt op de leemgronden is de haagbeuk; hij staat volop in bloei. De stam is groenig en lichtelijk verticaal gestreept en doet vaag denken – ezelsbruggetje – aan een ‘gespierde arm’. In de bermen bloeien enkele soorten ereprijs en witte dovenetel (naast de paarse dovenetel).

Bij het bos aangekomen volgen we de oostelijke bosrand. Op de kalkarme hoge delen van hellingen bloeien de berken, is de bodem bedekt met verdorde adelaarsvarens en groeien er massaal jonge plantjes van kalkmijdende valse salie.

We bereiken de ‘Krijtrots van Heimans’. Eli Heimans (1861–1914) stond samen met Jac. P. Thijsse (1865–1945) aan de basis van de Nederlandse natuurbescherming. Heimans schreef veel over Limburg en was zeer geïnteresseerd in de geologie (‘Uit ons krijtland’). Hij beschreef deze groeve poëtisch als ‘….. een bloementooneel, met coulissen van varens, guirlandes van clematis en klimop, en met witte trappen bezet met meterhooge Belladonna’. Het is vooral de Belladonna (wolfskers) die me interesseert, maar daar schijnt hier maar een enkele plant van over te zijn; we vinden niet wat we zoeken, het is waarschijnlijk nog te vroeg. Atropine, gewonnen uit de zwarte bessen van deze giftige plant uit de nachtschadefamilie, wordt nog steeds gebruikt door opticien en oogarts om de pupil te verwijden. Roel vertelde dat hij een keer overdadig met atropine is behandeld, waardoor hij twee weken lang het daglicht niet kon verdragen.

In de lagere kalkrijke bosrand bloeien het donkersporig bosviooltje en de bosaardbei. Vlier en Gelderse roos staan op het punt te gaan bloeien.

Ik begin last te krijgen van niesbuien en gesnotter, waardoor ik me plots realiseer dat de natuur in Epen twee weekjes voor ligt op Wageningen, en de pollenwolk hier al op volle sterkte is op deze warme lentedag. We hebben zonet door een bloeiend berkenbos gewandeld. En Limburgse berken zijn de ergste!

Van het Onderste Bos steken we bijna ongemerkt door naar het Bovenste Bos. Dit is het bos waar de Europese wilde kat weer af en toe wordt gesignaleerd. Dat verhindert niet dat vlak voor onze voeten een bosmuis – helaas niet de zeldzame hazelmuis – een nootje een holletje binnendraagt. De wilde ‘zoete kers’ bloeit in het bos en in de ondergroei staan doornige planten van de kruisbes (onontbeerlijke ingrediënt voor de lekkerste Limburgse vlaaien). De aalbes struik lijkt erop, maar heeft geen stekels en staat al op het punt te gaan bloeien. Op de bodem bloeit witte klaverzuring.

We steken vanuit het bos de Limburgse heuvels over naar de bedding van de Geul. Tussen de groene weides vallen enkele knalgele akkers op. Best wel een mooi gezicht op afstand, net alsof het rijpe korenvelden betreft. Maar we staan aan het begin van het groeiseizoen, niet de tijd van goudgeel graan, wel van onkruid doodgespoten met glyfosaat!

We lopen zo ongeveer op de Belgische grens, en zien aan de overkant Kasteel Beusdael baden in het zonlicht. Een paar honderd meter hiervandaan bevindt zich de zuidelijkste punt van Nederland.

Krassende kraaien herinneren mij aan een recente wandeling in de Boswachterij Staphorst. Daar (maar ook wel bij andere gelegenheden) hoorde ik een vogel schril gillen alsof de nood aan de man was. “Misschien een gaai?” probeert Roel. Maar die is het zeker niet, en in mijn beste vogeldialect probeer ik de gil te imiteren. “Oh, maar dat is de alarmkreet van de zwarte specht”, weet hij meteen te vertellen, “knappe imitatie!

We passeren een zijbeek van de Geul, de Terzieterbeek, en na een steile klim over een heuvel, een tweede zijbeek, de Tergraatbeek. Hondsdraf bloeit volop, grote muur en de kluwenhoornbloem spaarzaam. De dagpauwoog en de citroenvlinder dartelen in het zonnetje. Vele soorten solitaire bijen zoeken een holletje op de kale hellinkjes langs de beekjes. Buurtschappen hebben mooie namen als Klein Kullen en Kuttingen.

We bereiken de Geul en trotseren een afzetting om de zinkflora van dichtbij te bekijken. Sommige delen van de oevers worden afgegraven om de lagere bodemlagen, die rijker aan zink zijn, aan de oppervlakte te brengen. We zien dat die actie vooral het zinkviooltje ten goede komt. De zinkboerenkers bloeit volop. Een speciale zink-tolerante variant van Engels gras (geen gras, maar een strandkruid verwant aan lamsoor) staat op het punt om te gaan bloeien. De graspollen van zinkschapengras zijn nog niet zo ver.

We steken de Geul over bij Cottessen, waar de beek ons land binnenstroomt. Niet de graspollen, maar de echte pollen hebben mij ondertussen volledig in de greep. Ik loop permanent te niesen en te snotteren. Langs de Geul lopen nogal wat wandelaars en ik geneer me voor mijn gepruttel, dat door anderen wel eens als de symptomen van een ‘superspreader’ geïnterpreteerd zou kunnen worden.

Zelfs Roel heeft met me te doen en hij vergeet om mij de groeiplaats te laten zien van goudveil – zowel verspreidbladig als paarbladig goudveil –, en de locatie waar nog een kleine populatie van de vuursalamander overleeft. Of was dat een 1-aprilgrap?

We bereiken nog een steenwand die naar Heimans is vernoemd, de Heimansgroeve, een geologisch monument. Het is de enige plek in Nederland waar gesteente uit het Carboon (360–300 miljoen jaar geleden) aan de oppervlakte komt. Roel heeft hier lang geleden de zeldzame bleke schubwortel, parasiet op katjesdragers als hazelaar en haagbeuk gezien, maar onze zoektocht is tevergeefs. Wel kruipt de bloeiende aardbeiganzerik over de bodem, maar die is minder interessant, helemaal omdat-ie geen aardbeitjes levert.

Langs het water van de Geul staat klein hoefblad in bloei. Op iets grotere afstand van de bedding zien we nog mooie gemengde tapijten van speenkruid, bosanemoon, kleine maagdenpalm en wild gevlekt longkruid.

We steken de Geul weer over voor de laatste kilometers naar Epen. We passeren de Volmolen, zo genoemd omdat de watermolen voorheen gebruikt werd voor het ‘vollen’ (verfilten) van wol. In de auto komt mijn volle neus spoedig tot rust.  

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/449137245]    

 

Gepost: 19 April 2021  

 

Route Roel Lemmens: Struinen Onderste en Bovenste Bos en Geuldal (12 km)