FIETSEN: Overflakkee

Er is een prachtige lentedag voorspeld, dinsdag, 30 maart 2021, vooral met weinig wind. Dan komt Zeeland automatisch bovendrijven op mijn ‘to do’ lijstje.

Zoek vanuit de ruimte in Zeeland een kikkervisje en je komt uit bij Walcheren (kop) en Zuid-Beveland (buik, zak en staart). Noord-Beveland is dan een vreemdsoortig rugzakje, dat je maar op de koop toe moet nemen.

Zoek vanuit de ruimte in Zeeland een zeepaardje en je komt uit bij Goeree (kop) en Overflakkee (lijf). Goeree en Overflakkee waren lang aparte eilanden, Overflakkee verreweg het grootste. Rond 1750 werden de twee verbonden door de vijf-kilometer lange Statendam bij Stellendam, overigens nu niet meer als een verbindingsdam te herkennen.   

Op Goeree heb ik al eens rondgefietst, maar op Overflakkee alleen langs de oevers van het Grevelingenmeer. Ik start mijn fietstocht nabij de Hellegatsdam, die het Haringvliet scheidt van het Volkerak. Deze Hellegatsdam is onderdeel van  het dammenstelsel (Hellegatsplein), dat Overflakkee verbindt met de Hoeksche Waard (Haringvlietbrug) en Noord-Brabant (Volkerakdam).

Even snel om me heen kijken en de oren spitsen vóór ik op de fiets stap. Raapzaad staat al volop te bloeien in de bermen. De roze bloeiwijze van groot hoefblad duikt gegroepeerd op uit de bodem. De tjiftjaf overstemt hier de zanglijster.

Via een smal tunneltje duikt het fietspad onder de Hellegatsdam door. Parallel loopt op tien meter afstand een zelfde tunneltje voor migrerend kleinwild. Zinvolle segregatie! Eerst zit ik nog even binnendijks tegen de Buitendijk aan te kijken. Binnendijks heeft men gemeend om een gigantisch zonnepark aan te leggen. Op deze zonnige dag zal het knap druk zijn op de elektrische circuits in de panelen. Langs de sloot om het zonnepark staat een indrukwekkende populatie kaardenbol met vruchten van afgelopen jaar.       

Vervolgens krijg ik zicht op een prachtig natuurgebied langs het Volkerak, de Hellegatsplaten. Het Volkerak is niet meer onderhevig aan het getij, is zoet geworden, en de slikken en schorren zijn drooggevallen. Vogelboulevard wordt het fietspad langs de platen genoemd, met korte wandelingen zoals de Blauwborstroute binnendijks bij het Grote Gat en de Zwartkopmeeuwroute buitendijks richting het water van het Volkerak.

Op de platen huist een enorme populatie brandganzen. Fazanten wisselen met elkaar nieuwtjes uit. Heckrunderen hebben vrij grazen op de platen. Een uitkijktoren houdt het overzicht. 

Ik moet om het havenkanaal van het dorp Ooltgensplaat heen fietsen. Bloeiende hondsdraf concurreert in de berm met paarse dovenetel. Jonge planten van look-zonder-look eisen steeds meer plek op. Ereprijs kruipt overal tussendoor.

Vlakbij Ooltgensplaat ligt Fort Prins Frederik, gebouwd tijdens de Franse periode als Fort Duquesne. Toen het in 1813 in Nederlandse handen kwam werd het vernoemd naar Prins Frederik, de tweede zoon van koning Willem I en jongere broer van koning Willem II. Het Fort moest samen met de Vesting Willemstad aan de overkant de doorgang in het Volkerak bewaken, eeuwenlang een belangrijke vaarroute tussen Rotterdam en Antwerpen.     

Ik word iets van het Volkerak afgeleid langs de Mariapolder. Wat heerlijk om een akker te zien die helemaal paars ziet van de dovenetel, met ertussen kleine veldkers en ereprijs als je wat dichterbij kruipt.

Een informatiebord doet me stoppen bij een volgende akker: ‘Hier bindt Cornelis CO2’. Eén enkele walnootboom staat symbool voor het nobele werk van deze koolstofboer, die speciale teelttechnieken toepast om CO2 vast te leggen in de bodem, hopelijk uit overtuiging, maar in elk geval ook omdat hij betaald wordt om de CO2 uitstoot van Windpark Krammer te compenseren. Cornelis wordt wel serieus genomen, want op een tweede bord vijftig meter verderop staat ‘Albert Heijn is trots op duurzame teler Cornelis’. Logisch toch dat er complottheorieën ontstaan!

Bij een fruitteler zie ik tot mijn verbazing dat een apart gedeelte van zijn boomgaarden al in volle bloei staat: pruim?

Ik kom weer op de dijk van het Volkerak bij de piepkleine Galathese Haven, voorheen voor transport van producten tussen de Zeeuwse eilanden, nu vooral gebruikt voor de sportvisserij. Er wordt gepoogd van oude glorie weer wat nieuwe glorie te maken. Bijzondere naam trouwens. Ik neem aan dat het verwijst naar Galathea springkrabben en niet naar de mythologische waternimf Galatea (hoewel oorspronkelijk de springkrabben wel weer naar de waternimf zullen zijn vernoemd).

Het Volkerak gaat aan de westzijde geruisloos over in de Krammer. Op de dijk fiets ik langs de Krammerse Slikken, met veel bergeenden en grutto’s. Een groep koniks heeft zich verzameld langs het hek, wachtend op wat bijvoer.

Spoedig krijg ik zicht op het gigantische Windpark Krammer op het vertakte dammenstelsel tussen Krammer, Oosterschelde en Grevelingen (Grevelingendam en Philipsdam). Vierendertig molens, honderdtachtig meter hoog en aan de basis veertig meter in omtrek. Trouwens, hier langs de dijk worden ook flinke windmolens aangelegd. De populieren malen niet om lawaai of slagschaduw, maar als ze niet oppassen worden nieuwe takken stante pede door een molenwiek geamputeerd.    

Ik bereik Oude-Tonge en wandel even over de Begraafplaats 1953. Van het totaal van 1835 slachtoffers van de watersnoodramp, vielen er 490 op Goeree-Overflakkee, waarvan 305 in Oude-Tonge, bijna tien procent van de toenmalige bevolking! Ik neem mijn middagpauze op het mooie centrale plein.

Van Oude-Tonge naar Nieuwe-Tonge, maar zo nieuw is Nieuwe-Tonge nu ook weer niet, te oordelen aan de Molen d’Oranjeboom uit 1768.

Ik ben inmiddels dus bezig met de oversteek van zuid naar noord, van de Krammer naar het Haringvliet. Dat gaat voor een groot gedeelte over mooie, smalle polderdijken, want beetje bij beetje is het land hier op de zee veroverd. De polderdijken worden aanbevolen als de Bloemdijken van Goeree-Overflakkee. Daar is nu nog niet veel van te zien, maar het zal wel goed komen tussen al het fluitenkruid. Ik word in elk geval blij als ik de gele bloeiwijze van klein hoefblad in een vochtige berm aantref.  

Zeeuwse boeren zijn overal druk in de weer met het planten van aardappelen en uien. Overflakkee is ook zeer rijk aan bloembollenvelden. De bloembollen zijn al geplant in het najaar en jonge scheuten van de tulp staan al een eind boven de grond. Het is nog te vroeg voor bloei, afgezien van een enkele vroegrijpe bolleboos.

Ik passeer Dirksland en kom uit bij het Dirkslandse Sas, een historisch sluisje uit 1790 in het havenkanaal dat Dirksland verbindt met het Haringvliet.

Ook Middelharnis had natuurlijk een kanaalverbinding met het Haringvliet. Op de havendijk heeft men nog een restant van een ‘Muraltmuur’ laten staan, een betonnen muurtje om de zeedijken goedkoop te verhogen. Hier werd de ‘Muraltmuur’ aangelegd in 1956, dus na de Watersnoodramp, terwijl op vele plaatsen deze muurtjes het tijdens de ramp hadden begeven. Even denk ik dat ik het kanaal niet kan oversteken bij de sluis, maar dan zie ik een rolbrug uitschuiven voor fietsers en voetgangers. Op de pier langs het Kanaal van Middelharnis staat een metalen palmboom. ‘Wishful thinking’, denk ik dan. Hiermee lopen ze een beetje vooruit op de opwarming van de aarde. Pas dan zie ik dat de bladeren van de palmboom vissen moeten voorstellen: palmvissen!

Over een lange kale betondijk bereik ik Stad aan ’t Haringvliet, met zicht op het eiland Tiengemeten dat hoort bij de Hoeksche Waard aan de overkant. Als ik molen De Bommelaer zie opduiken weet ik dat het laatste dorp Den Bommel is bereikt. Vlakbij de auto passeer ik nog het Bommelse Belevingsbos – aangeplant door leerlingen van de Ollie B. Bommel basisschool –, waar je verschillende soorten bomen kunt leren kennen. Nu even niet, want de uitgestippelde route van zevenenvijftig kilometer is uitgelopen tot zeventig.   

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/449084973]

 

Gepost: 14 April 2021

 

Fietsknooppunten: 97, 45, 98, 93, 92, 88, 89, 82, 81, 77, 47, 76, 73, 74, 85, 86, 97 (70 km).