WANDELEN: Riels Laag

Ik wilde dit verhaaltje ‘Oude Leij’ noemen tot ik merkte dat dit tot grote verwarring kan leiden. Riel is een klein dorp ten westen van Goirle, beide net onder Tilburg. Ten oosten van Goirle loopt een Oude Leij (in verbinding met de Nieuwe Leij, Poppelsche Leij en Rovertsche Leij). De oorsprong van dit bekenstelsel ligt in het Nederlands-Belgische grensgebied. Ten westen van Goirle, langs Riel, loopt ook een Leij die eveneens Oude Leij wordt genoemd, maar waarvan het stroomgebied volledig gescheiden is van het andere beekdal, onder andere door de Regte Heide. Vandaar de keuze voor ‘Riels Laag’, zoals het beekdal van de Leij bij Riel wordt genoemd.

Op donderdag, 10 december 2020, ben ik om half negen onderweg naar Riel. Het is rond het vriespunt en de zon is net als een rode vuurbal in het oosten boven de horizon opgedoken. Ik kan gratis parkeren op Dorpstraat 1, bewijs dat Riel niet zo groot en druk is. Ik zit dan ook al snel buiten het dorp in het Riels Laag, een prachtig moerassig beekdal dat hier grenst aan de westzijde van de Regte Heide

Een buizerd roept. Een klein rusteloos vogeltje – de tjiftjaf – fladdert door de vegetatie zonder geluid te maken (en dat is ’m geraden ook!). Drie stenen zitkubussen met gedichten gekerfd in het zitvlak bezingen de herfstmaanden september, oktober en november. Iets verderop krijgen ook de andere jaargetijden de beurt. In het water van de Leij een grote groep tafeleenden. Op plassen stilstaand water ligt een dun laagje ijs.

Ik passeer de Leij via de Witte Brug en kom in natuurgebied Riels Hoefke. In het bos tussen de rododendrons staat een kleine Lourdesgrot, opgebouwd uit ontelbare tilbare zwerfkeien verzameld in de omgeving, afgezien natuurlijk van het Mariabeeld. Een heer uit Tilburg liet het bouwen nadat hij van een ongeneeslijke ziekte was genezen.

Door de bomkraters in het bos word ik herinnerd aan schijnvliegveld De Kiek, alias SF 37 Kamerun, dat hier tijdens de Tweede Wereldoorlog in de buurt was gelegen. Daar ben ik vorig jaar op de fiets al eens langs gekomen (‘Hilvarenbeek’. In: Siem Sing a Song, 2020). Om de geallieerde bommenwerpers weg te houden van de belangrijke vliegbasis Gilze-Rijen bouwden de Duitsers een kopie. Bovendien gebruikten ze de omgeving ook zelf om ongebruikte bommen af te werpen vóór de landing op Gilze-Rijen.      

De Brakelse Heide is een beboste heide. Enkele boomstronken vallen op omdat ze van verre lijken op hopen blinkende sieraden te midden van de struikheide. Het komt door de grijsgroene begroeiing met korstmossen, zowel kopjesbekermos als rode heidelucifer. Vooral de laatste naam is goed getroffen: op een grijsgroen steeltje zit het felrode sporenvormende vruchtlichaampje. Korstmossen zijn schimmels, levend in symbiose met algen, tot wederzijds genoegen.

Ik bereik Landgoed De Hoevens, maar steek de Leij over naar Landgoed Ooievaarsnest via een prachtig vlonderpad met een bruggetje. Het beekdal staat vol met grote plukken lisdodde en riet. Waterhoentjes zoeken dekking tussen de waterplanten. Op verhogingen in het beekdal staan enkele moerascipressen, geplant rond 1810 door graaf Gijsbert Jacob van Hogendorp (1783–1845), in de volksmond ‘de moerascipressen van graaf Jacques’ (frère Jacques?). Hoewel ze vrij nat staan zie ik geen sporen van ademwortels die als schildwachters uit de grond omhoog schieten om verdrinking van de boom te voorkomen.  

Terug aan de overzijde in Landgoed De Hoevens herken ik de brede zandweg (Nieuwkerksbaantje) van mijn fietstocht en de faciliteiten zoals een Natuurcamping en een Natuurbegraafplaats. Een mooi ommetje over het Landgoed volgt. Nu eens een boomklever in plaats van een boomkruiper. Een houtwal van Gelderse roos met kwijnende vruchtjes. Een enorme beuk is in de loop der tijden vergroeid met een weilandpaal, zodanig dat de boom me doet denken aan manneke pis. Op een heuveltje met een bankje houd ik lunchpauze, met uitzicht op een vlakke weide waar blijkbaar iets te halen is voor een tweetal grote zilverreigers en een vijftal blauwe reigers. Een ven met stilstaand water en een strandje dient als zwembad voor de natuurcamping. Je kampeert in de natuur of niet!

Na het ommetje terug op Landgoed Ooievaarsnest. De naam is te danken aan een nep ooievaar (met nest) op de nok van een traditionele Vlaamse schuur. Prachtige beukenlanen en een slingerpaadje langs een dichte begroeiing van hoge adelaarsvarens. Eén enkele ree laat zich fotograferen, maar ik ben natuurlijk weer te laat. 

Ik bereik de Poppelsche Leij (behorend bij dat andere stroomgebied), die hier de grens met België vormt. De grens ga ik niet over, want dan moet ik tien dagen in quarantaine. Wijngaard Steenvoorde is net groot genoeg (halve hectare) voor de zelfvoorziening van mevrouw Steenvoorde. Mini-Airport Nieuwkerk – een grasveldje met een picknickbank – behoort toe aan de Electromodelvliegclub Nieuwkerk.

In een weiland staren drie muildieren me meesmuilend aan. Ik durf niet met zekerheid te zeggen of het muilezels (ezelin ⨉ paardenhengst) of muilpaarden (paardenmerrie ⨉ ezelhengst) zijn. Hun cynisme kan ik me wel voorstellen, want dergelijke soortskruisingen zijn bijna altijd compleet steriel.

Een opvallend complex is Klooster Nieuwkerk langs het Nieuwkerksbaantje. Klooster Nieuwkerk is nu een allemanshotel, was ooit een nonnenhotel, en daarvoor een klooster, en weer daarvoor een nieuw kerkje dat een oud Belgisch kerkje verving, toen na de reformatie de katholieke eredienst weer beleden mocht worden in de Republiek. Grenspaal No. 211, één van de meest noordelijke grensmarkeringen, staat op de kruising van de Poppelsche Leij en het Nieuwkerksbaantje. Er vlakbij heel onopvallend een oud monument, een kleine zuil op een sokkel met inscriptie ‘Mars 1916’. Het heeft ongetwijfeld te maken met de Eerste Wereldoorlog, maar ik heb er nog niets over kunnen vinden.    

Ik kruis een klein bosgebied. Op de eerste de beste boom hangt een bordje ‘Pas op, teeken gebied!’. Taalkundig niet correct (één teek, twee teken), maar het is wel meteen duidelijk dat je hier niet komt om te tekenen. Hoewel, er ligt hier het teken-genieke ven Halve Maan, waarover het gerucht gaat dat de nonnen uit het nonnenhotel hier op warme dagen kwamen badderen.

In het talud van het pad een klein hol met een flinke verse hoop uitgegraven zand voor de deur. Een roofdiertje? Een nerts misschien die aan de vergassing is ontsnapt?

Aan de rand van het bos ligt Vogelkijkhut Tapsmoer – het moer (ofwel veen) van de abt – met een mooi uitzicht over het Riels Laag. Dan volgt de grote Regte Heide, zo krom als een banaan, maar er werd vroeger wel recht gesproken. Men probeert op allerlei manieren de vergrassing terug te dringen en de heide te bevorderen. Plaggen en bekalken helpen wel om de heide terug te krijgen, maar niet de bijbehorende diverse flora en bodemfauna. Vandaar dat men hier experimenteert met het uitstrooien van steenmeel – gemalen rotsen – voor een betere mineralenbalans.

Op de Regte Heide liggen een aantal grafheuvels bij elkaar, sommige met een palenkrans, eentje met een bijzondere ringwal. Af en toe worden de palen vernieuwd, zo nu en dan worden de heuvels een beetje opgehoogd, het hoort er allemaal bij om de herinnering levend te houden aan onze verre voorouders.

Onderweg naar huis om half vijf – dik tevreden over een prachtige wandeling – mag dan ook dezelfde rode vuurbal van vanochtend gerust in het westen onder de horizon wegduiken.

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/448718447]

 

Gepost: 24 December 2020  

 

Mooisteroutes.nl: Rond de prehistorie (22 km)