WANDELEN: Bommelerwaard

De Bommelerwaard ligt in rivierenland ingeklemd tussen de Waal (noorden), Maas (zuiden), Afgedamde Maas (westen) en Kanaal Sint Andries (oosten). Ik heb in de loop der tijden al verscheidene tochtjes gemaakt in de Bommelerwaard, zowel in het westen (Loevestein, Munnikenland), het zuiden (Ammersoyen) als het oosten (Heerewaarden), maar nog niet in het hart. En daar zou toch alles moeten kloppen! In het hart liggen drie zogenaamde binnendorpen, gebouwd op een stroomrug: Delwijnen, Kerkwijk en Bruchem.

Het lokkertje is Natuurgebied De Lieskampen. Ik start op donderdag, 18 februari 2021, op de parkeerplaats van dit Natuurgebied, maar zal hier pas op het eind van de wandeling doorheen trekken. Ik hoop niet dat de platanen op de parkeerplaats tijdens mijn afwezigheid hun lang gesteelde kerstballetjes laten vallen op mijn autodak.

De Delwijnse Molen heeft in elk geval zijn wieken reeds laten vallen; er resteert slechts een meerzijdige romp zonder ledematen. Maar het gaat hier niet om wat het is, maar om wat het was. Deze stond langs de Capreton, een belangrijk afwateringskanaal van de Bommelerwaard. Eigenlijk is een capreton een dijkje, maar toen enkele capreton’s tussen parallelle weteringen werden afgegraven, kreeg het resterende brede afwateringskanaal de naam Capreton. De naam zou een verwijzing zijn naar Bretagne (Kade Breton, Ka Breton, Capreton), waar zulke dijksystemen ook zouden voorkomen.

Ik wandel in zuidelijke richting van de Capreton naar de Drielse Wetering (afgeleid van Kerkdriel) over de Zeedijk. Zeedijk? Volgens de geleerden een verbastering van ‘Zeegdijk’, een middeleeuws dijkje, haaks op de rivier langs een afvoerkanaal. Dus geen capreton omdat-ie maar alleen is. Ik volg de Drielse Wetering een heel eind via de Eendenkade. Overal de laatste stuiptrekkingen van ijs en sneeuw. Ik verstoor een vergadering van meerkoeten en jaag waterhoentjes het kreupelhout in.

Via enkele zijweggetjes kom ik in Natuurgebied De Rampert. Zowel De Lieskampen als De Rampert zijn een gevolg van ruilverkaveling. Dit waren dan waarschijnlijk de stukjes die niemand wilde hebben. Ze bestaan dan ook uit een mengsel van weilandjes, bosschages, houtwallen en waterpartijen in kleiputten. Aan de overkant van een watertje zie ik een kraai de opportunistische aaseter uithangen. Als ik ga kijken op de plek des onheils blijkt een dooie waterhoen het nuttige slachtoffer. Er is weinig meer van over dan zijn vliezige vleugels, pezige poten en roodgele snoezige snavel.  

Ik mag vervolgens naar de pomp lopen in Kerkwijk en dat is een flink eind. Onderweg trekt een groep kramsvogels door de weilanden en de natte velden met geknotte griendwilgen. Ik hoor in een brede boerensloot tussen de bekende geluiden van wilde eenden en meerkoeten het typische gesmoes van de smient. De alliteratie ‘smoezende smienten’ klinkt mooi, maar eigenlijk is het meer gefluit. Enkele kieviten zijn al in de ‘loving mood’. Nog een dag of tien en dan is het eerste kievitsei weer gelegd. Een mannetje duikt en roept tijdens de baltsvlucht dat het een lieve lust is. In het Fries heet dat ‘oer de wjuk gean’, over de wiek gaan. Daar kan de ontwiekte en geknotte Delwijnse Molen alleen maar van dromen.

Aan de rand van Kerkwijk kom ik twee jongens tegen met visnetten. “Gaan jullie vlinders vangen?”, vraag ik. “Nee, konijnen” is het verrassende antwoord. De dorpspomp is een gestileerd geheel zonder franje.

Midden in Kerkwijk ligt bij de kerk een bijzondere terp die kan dienen als vluchtheuvel. Hij werd opgericht ná de watersnoodramp in de Bommelerwaard in 1861 (de volgende keer beter ervóór!). Door drijfijs in de grote rivieren braken de dijken en waren de binnendorpen Delwijnen, Kerkwijk en Bruchem volledig geïsoleerd van de buitenwereld. Aan de voet van de vluchtheuvel staat een afdakje met verschillende kastjes gratis ruilboeken. Kun je tijdens de volgende noodsituatie in elk geval de tijd op de vluchtheuvel doden met een goed boek.

Ik mag opnieuw naar de pomp lopen, dit keer in Bruchem, weer een flink eind over asfalt. Dit type dorpspomp is blijkbaar in serieproductie genomen, want hij lijkt identiek aan die van Kerkwijk.

Ik bereik de Bommelse Zuiderwetering. Onderweg een klein perceel bos – het Bruchemse Bos – maar dat mag eigenlijk geen naam hebben. Er is zelfs geen plaats voor een bankje om de lunch te gebruiken, wel een perceel met grote aangeplante grauwe abeel, te oordelen aan de vorm van het rottende blad op de bodem dat het midden houdt tussen de ouders, de witte abeel en de ratelpopulier. Aha, toch een bankje helemaal aan de bosrand, voor een slok koffie met versnapering. Niet te lang stil zitten, want het is nog best fris.

Ook de Bruchemse Molen ‘gaat niet over de wiek’. Er zijn wel allerlei activiteiten op het landgoed eromheen. Er lopen een aantal witte en een enkele zwarte ‘bebek’, van die Indonesische eenden met lange nekken. Een boerensloot is behoorlijk verstopt met de gelige wortelstokken van gele plomp.

In de weilanden langs de Capreton een negental reeën, die bij nadering vluchten in de bosschages van De Lieskampen. De Lieskampen is een vergrote uitgave van De Rampert. Ik volg een pad om de grote ‘vijver’ heen, en krijg klompschoenen van de modderbodem waaruit de dooi omhoog is gekropen. Achteraf ben ik blij dat een groot deel van de route zich op verharde paden heeft voltrokken.

Er lopen kleine paadjes door de rietkragen naar de grote vijver. Ik heb geen aanwijzingen dat de bever of otter zich hier heeft gevestigd. Waarschijnlijk van schaatsenrijders die zich vorige week op dit ijs hebben vermaakt. 

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/448658370]

 

Gepost: 7 Maart 2021  

 

Mooisteroutes.nl: Hart van de West-Bommelerwaard (17 km)