FIETSEN: Walcheren

Vrouwenpolder is geen polder gemaakt door of voor vrouwen, maar een dorp dat zijn naam dankt aan een kerk gewijd aan Onze-Lieve-Vrouwe. Het ligt samen met Breezand op de noordelijke punt van Walcheren, een strategische plek bij de ingang van het Veerse Gat (nu afgesloten door de Veerse Gatdam tussen Walcheren en Noord-Beveland). Er werd dan ook tijdens de Tachtigjarige Oorlog Fort Den Haak gebouwd. Veel later, in 1809, landden de Britten hier in hun strijd tegen Napoleon en verwoestten het fort bij hun aftocht. Nu ligt hier het kleinschalige vakantiepark Fort Den Haak waar wij – Marita, dochter Meike en ik – een week lang de enige bewoners zijn van een vijfentwintigtal bungalowtjes, en ik iedere nacht wacht loop tijdens de avondklok.

Ook de Duitsers vreesden een invasie van de geallieerden op Walcheren en veranderden het in een vesting. Niet alleen was er een concentratie van verdedigingswerken van de Atlantikwall als zeefront, maar ook werden er door de Duitse bezetter landfronten aangelegd om Vlissingen heen en bij de Sloedam naar Zuid-Beveland. Walcheren heeft nu aan de oostzijde een brede verbinding met Zuid-Beveland, maar tot ver na de oorlog waren Walcheren en Zuid-Beveland van elkaar gescheiden door het Sloe, met als enige verbinding een dam voor de Zeeuwse spoorlijn van Roosendaal naar Vlissingen uit 1873. Als gevolg van de geïsoleerde ligging werd er na de capitulatie op 15 mei 1940 op Walcheren nog een paar dagen doorgevochten, onder andere door Franse troepen die Nederland te hulp waren gekomen.

Op maandag, 1 februari 2021, stap ik op de fiets voor een rondje Walcheren, benieuwd naar wat ik allemaal tegen zal komen. De dag begint een beetje miezerig en mistig, maar knapt zienderogen op. Stukje bij beetje ingepolderd liggen bijna alle wegen op polderdijken. Tegen de klok in fiets ik richting Domburg langs de buitenrand van natuurgebied Oranjezon, waar we deze dagen ook uitgebreid hebben gewandeld. Twee silhouetten van grazende damherten in de mist. Aansluitend ligt de Manteling van Walcheren, een bosgebied dat als een mantel het achterland beschermt tegen de felle noordwestelijke zeewind. Een favoriete plek voor buitenhuizen zoals Overduin, Berkenbosch en Westhove. Heel bijzonder is een lange laan met bizarre meerstammige beuken. Geen natuurlijke oorzaak zoals wind of ziektes, maar de bomen zijn ooit op lage hoogte afgezaagd voor het hout, en uit protest zeer grillig opgegroeid. De achterliggende eikenstrubben zijn ook grillig en doen me denken aan een dansvloer met kronkelende lichamen.

Domburg is een badplaats bij uitstek, met het opvallende Badpaviljoen van architect J.J. van Nieukerken (1854–1913). Met een borstbeeld wordt dokter J.G. Mezger (1838–1909) geëerd, een grondlegger van de fysiotherapie, die in zijn huis in Domburg vele beroemdheden van hun kwaaltjes afhielp met zijn ‘gouden duimen’. Dat legde hem en Domburg geen windeieren.

Vele hazelaars staan al in volle bloei, de eerste wilgenkatjes komen tevoorschijn, zanglijsters zingen het hoogste lied.

Tussen Domburg en Westkapelle fiets ik eerst een stuk binnenduins, dan buitendijks. Binnendijks vele plassen, een paradijs voor watervogels: even een frisse neus aan zee halen en dan uitrusten in de luwte. Een enkele visser vermaakt zich aan zee bij de vuurtoren Noorderhoofd, samen met vele scholeksters. Er zijn vandaag geen vogelaars op de vogeltelpost. Wel een hardloper die aan ‘geocaching’ doet: er moet bij de vogeltelpost een ‘schat’ liggen, maar hij kan ’m niet vinden.

Westkapelle, op de meest westelijke punt van Walcheren, markeert de overgang van de zogenaamde Voordelta – de ondiepe zee tussen Walcheren en de Maasvlakte – en de Westerschelde, de toegang tot havenstad Antwerpen.  

Even voorbij Westkapelle kom ik langs een grote bunker van de Atlantikwall en iets verderop een restant drakentanden van het tien kilometer lange landfront om Vlissingen heen. Bunkers hadden ‘opera’tionele namen zoals ‘Carmen’ en ‘Fledermaus’. Toevalligerwijs (of niet!) hangen er vele vleermuishuisjes aan de bomen in plaats van vogelhuisjes.            

Ik kom langs Zoutelande. De kustroute is bezaaid met vakantieparken en strandovergangen over de hoge duinen. Bij Dishoek een mooi horecaplein aan de voet van de duinen en een atypische vuurtoren boven op het duin. Zonder toeristen is het hier de ‘dood in de pot’.

Terwijl ik koffie drink uit mijn ‘backpack’ wordt er in de openlucht getraind op een parkeerplaats. Twee dames staan onder deskundige leiding driftig tegen bokskussens te rammen, die nauwelijks in beweging komen.

Ik krijg de Westerschelde in beeld en de hoogbouw van Vlissingen. In oktober 1944 werden door de geallieerden aan beide zijden van Vlissingen de dijken en duinen gebombardeerd om via inundatie de bevoorrading van de Duitsers te verhinderen. Op beide plaatsen staat een gedenkteken. Bij de watersnoodramp van 1 februari 1953 bleef Walcheren relatief gespaard, maar in 1944 werd het eiland zwaar getroffen.

Ik passeer aan de waterkant de Gevangentoren, een middeleeuws restant van de stadswal. Op de boulevard het hoofdkantoor van het loodswezen dat zeeschepen door de verraderlijke Westerschelde moet loodsen. Op de gevel een Getijklok waaraan je het tijdstip van eb en vloed kunt aflezen. Terwijl ik dat doe – het is bijna twaalf uur en hoogwater – gaat het luchtalarm, want het is ook nog eens de eerste maandag van een nieuwe maand.

Bovenop het Keizersbolwerk (uit de tijd van Keizer Karel V), staat een groot standbeeld van een zoon van de stad, Michaëli Adriani Filio Rvitero, oftewel Michiel Adriaenszoon de Ruyter (1607–1676). Rotganzen bevaren de Westerschelde, en verderop dobberen een aantal aalscholvers, wachtend op een passerend schooltje vissen. 

Met de fiets kan ik de dubbele sluis in de monding van het Kanaal door Walcheren passeren. Het kanaal van Veere naar Vlissingen via Middelburg stamt net als de Zeeuwse spoorlijn uit 1873; het werd aangelegd omdat het Sloe door verzanding en door de spoordam zijn functie als vaarroute verloor.   

Zo’n tien kilometer van Vlissingen verwijderd, vlakbij de overblijfselen van Fort Rammekens, ligt de Haven Vlissingen-Oost, een groot industrieel complex. Het doet me erg denken aan de Eemshaven, op vijftien kilometer afstand van Delfzijl. Na de oorlog is het Sloe ingepolderd met uitzondering van deze haven in het Zuid-Sloe en de jachthaven Oranjeplaat in het Noord-Sloe.

Door deze lage polders steek ik over van de Westerschelde naar het Veerse Meer in het grensgebied tussen Walcheren en Zuid-Beveland. Ik maak even een zijsprongetje van de route naar het Monument The Causeway, op de voormalige Sloedam. Hier worden Franse militairen herdacht die Walcheren te hulp schoten bij de inval van de Duitsers in 1940, en geallieerde troepen die betrokken waren bij de bevrijding van Walcheren eind 1944. Vesting Walcheren was een moeilijk te nemen hindernis, maar essentieel voor de geallieerden om de haven van Antwerpen te kunnen gebruiken voor de aanvoer van troepen en materieel.

Bij de jachthaven Oranjeplaat aan het Veerse Meer groeien in de berm bloeiende populaties van een mij onbekende plant. Het blijkt de vrij zeldzame winterheliotroop te zijn (verwant aan groot hoefblad), die met name op enkele plaatsen op Walcheren voorkomt.

‘Largo Harbour Village’ is nog in aanbouw. Het is weer zo’n luxe recreatiepark met vakantiewoningen aan het water. Als we alle energie die aan de bouw van recreatiewoningen wordt besteed nu eens in de echt noodzakelijke woningbouw stoppen?

Richting Veere zit er een flinke strook wanordelijk bos tussen het meer en het fietspad. Dat is maar goed ook, want het is flink winderig rond het Veerse Gat.

Veere kondigt zich van verre aan door de kolos van de Grote Kerk, inmiddels cultuurtempel. Met de fiets kan ik ook hier de dubbele sluis passeren aan het andere uiteinde van het Kanaal door Walcheren. Een groter contrast tussen de Grote Kerk en de sierlijke toren van het Stadhuis is nauwelijks mogelijk. Overal wappert de mooie Zeeuwse vlag met vier blauwe en drie witte golvende banen, met in het midden het gekroonde wapen van de provincie. De oude huizen langs de haven hebben bijna allemaal kelderluiken om vracht op te slaan. In een ander authentiek straatje is een travalje bewaard gebleven, waar de hoefsmid de paarden kon beslaan. Langs molen De Koe rijd ik Veere weer uit en bereik weldra ons tijdelijk verblijf in Fort Den Haak.               

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/448479217]

       

Gepost: 17 Februari 2021

 

Knooppunten: 30, 27, 16, 14, 10, 40, 42, 44, 80, 81, 88, 86, 85, 93, 92, 62, 66, 65, The Gateway, 65, 64, 48, 35, 34, 36, 32, 31, 30 (75 km).