WANDELEN: Everdinger Waarden

Tijdens mijn recente fietstocht langs de Lek kwam ik bij Fort Everdingen langs de Everdinger Waarden, aantrekkelijke uiterwaarden met kreken, een draaipontje, veel wilde planten en lepelaars.

De wandeling op vrijdag, 5 juli 2019, wordt me dus in de schoot geworpen. Ik parkeer bij Fort Everdingen, dat samen met Fort Honswijk aan de overkant, de ‘Wachters aan de Lek’ zijn in de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Een laantje met zeer hoge, kaarsrechte populieren leidt me naar de open uiterwaarden, waar ik meteen mijn hart kan ophalen aan een prachtig onkruidveld (dit gaat veel verder dan een kruidenrijk weiland). Ik herken in het rijke mengsel rode klaver, gewone rolklaver, knoopkruid, heel veel ratelaar, moerasspirea die er met zijn pluimen bovenuit steekt, valeriaan, duizendblad, distels, Jacobskruiskruid en fazanten. Sommige planten van Jacobskruiskruid zien er verfomfaaid uit. Ze zitten vol zebrarupsen van de Jacobsvlinder. Ja, dan heb je de pech gehad dat de vlinder net jou heeft uitgezocht om haar eitjes op te deponeren. De rupsen vreten zich vol, kapselen zich in om te overwinteren en verpoppen in de lente. Zowel de rupsen als de vlinders met hun felle kleuren vormen geen aantrekkelijke voedselbron, want ze hopen gifstoffen op uit de waardplant.

Er staat ook een lupine-achtig plantje. Het vormt halfronde vruchtjes (peulen) die niet openspringen, maar ruw zijn en klittend aan vacht of kleding worden verspreid. Het blijkt een verwilderd veevoedergewas te zijn: esparcette. Mooie Franse naam, denk je dan. Dat is ook zo, maar de meest gebruikelijke naam in het Frans is ‘sainfoin’, oftewel ‘gezond hooi’.       

Ik zie de eerste bloeiende planten van leverkruid, de verschillende soorten kaasjeskruid, herderstasje, wilde cichorei, bijvoet en harig wilgenroosje. En een populatie van parende wantsen op de bloeiwijzen van gewone bereklauw.

Aan de waterkant ligt een aanlegsteiger van het Liniepontje, dat de overtocht verzorgt tijdens excursies naar de Forten en ‘Werken’ van de Nieuwe Hollandse Waterlinie langs de Lek.

Een kreek in de uiterwaarden wordt omzoomd door paarse kattenstaart, mooi contrasterend met de populatie van een twintigtal witte lepelaars.

Op sommige plaatsen steken hoge pastinaak planten met gele bloemschermen boven de overige vegetatie uit. Langs de hekken groeit een walstro. Verder wilde peen, gele en witte honingklaver, kompassla.

Ik loop op de Lekdijk door Everdingen om even verderop de uiterwaarden weer in te trekken. Een weiland wordt gehooid in het bijzijn van honderden kauwen en één ooievaar. Op een afrit van de dijk bloeit een tapijt van geel vetkruid oftewel muurpeper.

Ik heb de pech dat het draaipontje De Goudhaeck aan de overzijde van de veertig-meter brede kreek ligt. Ik draai me het apelazarus. Het draaiwiel heeft een doorsnee van ongeveer veertig centimeter. Uitgaande van gemiddeld twintig centimeter diameter (de oprollende ketting op de draaias) zou je iedere draai van het wiel gemiddeld zestig centimeter vooruit moeten komen, maar per draai schiet het maar zo’n vijftien centimeter op, en het blijft ook vijftien centimeter. Er zit dus een flinke ‘draaibekrachtiging’ op het wiel. Dat is waarschijnlijk maar goed ook, want anders zou het draaien heel zwaar worden. Het betekent wel driehonderd keer draaien om het pontje naar mijn oever te manoeuvreren. En dan nogmaals driehonderd keer om zelf naar de overkant te geraken. Het is dus niet gek dat in dit deel van de Everdinger Waarden minder wandelaars zijn.

Terwijl honden niet zijn toegestaan in dit gedeelte voert hondsdraf hier plots de boventoon laag bij de grond. En in het wat kalere deel vlak langs de rivier gedijt de echte kruisdistel.

Aan de oostkant van het Fort ligt de Goilberdingerwaard. Een kolk wordt bevolkt door een gemengde populatie van Canadese ganzen en brandganzen. Al zijn ze beide zwart-wit, ze zullen wel van elkaar afblijven. Ik herken een haard van heksenmelk en enkele planten kattendoorn.

Bij het ‘Werk aan de Spoel’, een hulpstuk van Fort Everdingen, bereik ik de Lekdijk. Deze prachtige tocht van zeven kilometer door de uiterwaarden heeft me drie uur gekost.

De rest van de wandeling besteed ik aan de omgeving van de Diefdijk, één van de belangrijkste binnendijken in Nederland en vanouds de grens tussen Holland en Gelderland. De naam heeft mogelijk iets te maken met smokkel over deze grens. De Diefdijk uit de dertiende eeuw was in eerste instantie bedoeld om wateroverlast uit de Betuwe tegen te houden. Hij brak verschillende keren door, met grote kolken tot gevolg. Eeuwen later werd de Diefdijk, die helemaal loopt van Everdingen tot aan Leerdam, en vandaar tot Gorinchem de Linge volgt, onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Ik neem een verkeerde afslag bij kolk De Waai (dit is trouwens een pleonasme, want een ‘waai’ is een ‘kolk’). Ik ga dus bij De Waai (uit 1565) de Bruine Dijk op, waardoor ik een flinke omweg via Schoonrewoerd moet lopen om weer op de Diefdijk te komen, zo’n tien onbedoelde kilometers. Daardoor zie ik wel de eerste zwanenbloemen in bloei en wandel ik een stukje langs het Wiel van Bassa, de grootste kolk van Nederland (uit 1573).        

Een groot aantal kazematten uit de Tweede Wereldoorlog begeleiden de Diefdijk. Eentje is er middendoor gezaagd om het binnenwerk zichtbaar te maken.

 

Gepost: 23 Juli 2019

 

Struinroute Everdinger Waarden (7 km) en de Diefdijk en omstreken (8 km), met een vergisroute via Schoonrewoerd voor een extra lus van 10 km (totaal 24 km)