WANDELEN: Doddendael

Een wandeling met hindernissen en onhandigheden op een steeds warmer wordende lentedag: vrijdag, 22 maart 2019. Het Doddendaelpad loopt deels door de uiterwaarden van de Waal bij Beuningen. Het is niet in me opgekomen dat het hoogwater van de Waal – na de overvloedige maartse regenval – wel eens een onneembare hindernis zou kunnen zijn. Het klompenpad dankt zijn naam aan het mij onbekende kasteeltje Doddendael, dat waarschijnlijk zijn naam dankt aan talrijke lisdodden die er ooit hebben gestaan.

Eenmaal op weg met collega Roel, blijkt hij het gebied vrij goed te kennen. Schoonpa woont in Beuningen. En zijn trouwfeest met Mirjam (meer dan vijfentwintig jaar geleden) vond plaats in… Slot Doddendael. Daar was ik bij! Afijn, hieruit blijkt dat mijn aandacht uitging naar het bruidspaar en niet naar het kasteel en de kasteelvrouwe. 

Nu de ‘vroegelingen’ bloeien hoop ik door Roel wat plantenkennis op te doen. Tot mijn verwondering en bewondering blijven de weetjes niet beperkt tot de vroegbloeiers, maar wijst hij me ook op allerlei zomer- en zelfs herfstbloeiers (zoals de herfsttijloos), die nu alleen nog maar met een toefje bladeren boven de grond uitsteken. Overigens neemt hij wel enkele exemplaren van de ‘echte’ vroegeling mee, een piepklein plantje dat kiemt in de herfst, overwintert als rozet en vervolgens in februari al bloeit. Een overijverige moleculaire systematicus is de soort aan het opsplitsen en Roel wil weten of dat hout snijdt.     

Hij wijst me op de grote maagdenpalm (populair op begraafplaatsen, vooral op het graf van jonge meisjes), het maarts viooltje (vroegste bloeier onder de viooltjes) en het groot sneeuwklokje (een winterbloeier die nu al doosvruchten draagt). Dit is wel het grensvlak tussen tuin & perkplanten enerzijds en wilde en verwilderde planten anderzijds. Ik heb met de laatste categorie al moeite genoeg. 

We kruisen een stukje bos waar flink is gerooid. Zieke essen worden verwijderd vanwege de essentaksterfte. Langs de bosrand steken op regelmatige afstand bladeren van de herfsttijloos boven de grond uit. Te regelmatig voor een spontane verschijning. Is er iemand aan het planten geweest?

In het bos een flinke, al bloeiende boom van de zoete kers, met karakteristieke horizontale streepjes op de stam. En struiken van de kerspruim en vooral de sleedoorn vallen op door hun witte bloei voordat het blad is gevormd.

We zien een dovenetel die lijkt op witte dovenetel, maar met paarse bloemen: toch is het niet de paarse dovenetel, die een stuk kleiner is, maar de gevlekte dovenetel. Alom het sterbladige kleefkruid dat door de stekelhaartjes lekker aan je kleren blijft klitten.

Bloeiende Wolfsmelkachtigen herken ik nog wel als groep, maar niet als soort. De verschillen tussen tuinwolfsmelk en kroontjeskruid gaan het ene oor in, het andere uit.

Ereprijs (Veronica) begin ik te herkennen. Het is een zeer groot geslacht, met namen die gaan van gewone tot vreemde ereprijs, van grote tot kleine, van lange tot brede, van bos tot veld, van water tot akker, van rode tot blauwe waterereprijs, van gladde tot doffe, en van draad tot schildereprijs. Hou die maar eens uit elkaar. Een familietrekje van het geslacht is wel dat de twee meeldraden die ingeplant staan op de kroonbladeren de V van Veronica vormen.

Het is prachtig weer en de temperatuur stijgt. We moeten steeds meer kleding afpellen om niet oververhit te raken.

Het eerste gras dat bloeit in de bermen is de grote vossenstaart. Speenkruid toont zijn stervormige gele bloemen in volle glorie nu de zon aan de hemel staat. Roel graaft een plantje uit en laat zien dat de naam afgeleid is van de knotsvormige wortels.

Terwijl hij lamenteert dat kennis van de biologie van planten aan het verdwijnen is – het tegenwoordige systematiek onderzoek maakt bijna uitsluitend gebruik van moleculaire technieken in het laboratorium, vaak op ondeugdelijke biologische gronden – bereiken we Slot Doddendael. Doddendael dateert in eerste aanleg uit de veertiende eeuw, en kende vele bewoners, verwoestingen en restauraties, de laatste tot Restaurant.

Bij het Slot staan nog enkele leuke bloeiende (stinzen)planten zoals kleine maagdenpalm, blauwe anemoon en knikkende vogelmelk. We komen ook gewone vogelmelk tegen, met de witte streep midden over het blad, maar die bloeit nog niet. In het bos het karakteristieke blad van gevlekte aronskelk, waarvan het blad soms wel en soms niet paars gevlekt is.

We bereiken de Waalbandijk met zicht op de Tacitus-brug bij Ewijk, en worden ons bewust van de hoogwater hindernis. Ik wil een watervogel met de verrekijker dichterbij halen. “Shit, waar is mijn verrekijker?” Ik realiseer me meteen dat ik tijdens het afpellen van vest en jas de verrekijker aan een weilandhek heb gehangen. Toevallig is de plek des onheils, wegens de smal-ovale vorm van onze route, hemelsbreed niet ver weg. Als ik de verrekijker nu had gehad, dan zou ik hem zo kunnen zien hangen. Roel biedt aan om het apparaat even op te halen. Dat lukt hem in een mum van tijd, maar ‘hemelsbreed’ betekent wel soppen door een modderige akker en door een ondiepe sloot. Mijn dank is groot!           

We lopen een drassig stukje uiterwaard tot aan de ondergelopen aanlegsteiger van het fietspontje Beuningen–Slijk-Ewijk, maar moeten al snel op onze schreden terugkeren. De droge delen staan nog vol met de verdroogde restanten van guldenroede van het afgelopen jaar.

Noodgedwongen volgen we de Waalbandijk tot aan het Dijkmagazijn. De meeste Dijkmagazijnen zijn tegenwoordig in gebruik als museumpje of informatiepunt, maar bijna altijd dicht.

We staan stil bij een verwilderd exemplaar van raapzaad. Even later een verwilderd exemplaar van koolzaad. Binnenkort kleuren de bermen van snelwegen en spoorlijnen weer geel van, ja van wat eigenlijk? Wie van de drie: koolzaad, raapzaad of herik? Ik heb altijd gedacht koolzaad, maar mijn schoonmoeder zegt herik. De eerste twee van deze kruisbloemigen hebben stengelomvattende bladeren, herik niet. Bij koolzaad steken de open bloemen niet uit boven de bloemknoppen (zie foto), bij raapzaad wel. Dit jaar maar eens nauwkeuriger kijken.

De eerste pinksterbloemen bloeien in de berm van de dijk, samen met de verwante kleine veldkers. Ook de rozetjes van weegbree staan overvloedig tussen het gras. Drie soorten staan hier bij elkaar: de grote, de smalle en de ruige. Het klinkt als ‘the good, the bad and the ugly’. Bij een binnendijkse woning ligt een kunstkoe met zijn poten in de lucht, alsof zij slachtoffer is geworden van deze cowboys.

Een echt kunstwerk mag op de dijk niet ontbreken. Terwijl ontelbare kokmeeuwen (met en zonder zwarte kap) genieten van watertrappelende wormen in het ondergelopen land, staat op de dijk de ‘Tempel van de Riviergodin’. Een simpel dubbelsteens muurtje, hol van binnen, met enkele spleten. Ik moet onwillekeurig denken aan die ene stupa met de verborgen boeddha, op de bovenste terrassen van de Borobudur. Raak het beeld aan en je mag een wens doen. De Riviergodin is echter niet thuis, maar ik doe toch een wens: “Moge ons land niet ondermijnd worden door de mensen die onze kunstsubsidies ontvangen” (Uit: Overwinningsspeech Baudet op 20 maart 2019).       

 

Gepost: 15 April 2019

 

Doddendaelsepad (15 km)