WANDELEN: Waal 4

‘Eindelijk verlost van de mens’ is de kop op de voorpagina van de Volkskrant vandaag, donderdag 28 mei 2020. Andere levende wezens nemen meer levensruim nu wij ons in quarantaine bevinden. Dat werpt de vraag op wie of wat de heerschappij over moedertje aarde gaat overnemen wanneer deze aardkloot eenmaal echt van ons is verlost. Ik ga er vandaag eens speciaal op letten.

‘Struinen langs de Waal’ heeft vijf trajecten, waarvan ik er inmiddels drie heb gedaan. Het traject Vuren–Zaltbommel–Vuren is het langste met tweeënveertig kilometer, en dat is me te gortig. Bovendien heb ik recentelijk al gewandeld bij Slot Loevestein op de zuidelijke oever (Munnikenland), dus beperk ik me vandaag tot ‘la rive droite’, van Waardenburg naar Vuren; ik schat een kleine twintig kilometer.  

Ik start bij de Martinus Nijhoff brug tussen Waardenburg en Zaltbommel. Heerlijk als een brug naar je vernoemd wordt omdat je gezegd hebt: “Ik ging naar Bommel om de brug te zien”. Maar hier staat op een plaquette het hele gedicht van Martinus Nijhoff (1894–1953): ‘De moeder de vrouw’. Mooi gedicht, uit een vrome tijd.

Het is deels wandelen op de Waalbandijk (een beetje te veel naar mijn zin), dan weer onder tegen de dijk of door de uiterwaarden. Het eerste dorp langs de dijk is Tuil, waarover niet veel is te vertellen, behalve dat de kikkers kwaken in de sloten.

Twee planten overheersen momenteel de bermen. Het raapzaad is uitgebloeid en de hauwen zijn aan het afrijpen. Waar raapzaad afwezig is overheerst glanshaver. Glanshaver is niet zo verstikkend als raapzaad en biedt ruimte aan verstekelingen als glad walstro, margrieten en knoopkruid.

Op de stenige dijkhelling springt van verre een rode kleur in het oog: rode matten van wit vetkruid en populaties van de rode spoorbloem. Tijdens een recente wandeling rond ’t IJ kwam ik witte spoorbloem tegen, uit een kadewand stekend boven het water, maar die is duidelijk minder algemeen. Notabene kwam ik ook in Amsterdam voor het eerst de bleke morgenster tegen. Hier bloeien twee verwanten door elkaar in de berm: Oosterse morgenster en gele morgenster.     

Bij Haaften werp ik nog een terugblik op de Martinus Nijhoff brug en op een Overnachtingshaven voor de binnenvaart. Een bord van Rijkswaterstaat meldt werkzaamheden aan de vierhonderdvijftig kribben tussen Nijmegen en Gorinchem. Ooit aangelegd om het water af te remmen en de rivier op z’n plek te houden, zijn ze inmiddels ongeveer een meter verlaagd om de doorstroming te bevorderen.

Tussen Haaften en Hellouw ligt de Crobsche Waard met een aantal kleiputten rond een nog in bedrijf zijnde steenfabriek. Er kan eindelijk gestruind worden. Op een strandje kuieren twee Oud-Hollandse kuifeenden – ik noem ze ‘hipster-eend’ ter onderscheid van de gewone kuifeend – met een ronde veerbol iets achter op de kop die op een vleesknobbel groeit.  Ze zouden van oorsprong uit Bali komen, maar hier in Nederland als ras ‘geperfectioneerd’ zijn. Ik vind er niks moois aan en griezel bij het woord vleesknobbel.

Op de oevers van de Waal veel echte kruisdistel en uitgebloeide wede. Oude stengels van de teunisbloem met opengesprongen zaaddozen hebben voor een veelheid aan nageslacht gezorgd, jonge plantjes nog.

Over één van de kleiputten een groene schicht in kaarsrechte vlucht: een ijsvogeltje. Langs het water veel valeriaan, gele lis en ontelbare jonge spruiten van watermunt. En dan de reus onder de zuringen, waterzuring met bladeren van wel een meter lengte, nog zonder bloeistengel.

Onrustige kieviten en tureluurs krijsen naar me. Ze hebben wat te verbergen in het natuurgebied: pullen. Een groep van wel twintig lepelaars verplaatst zich van de ene naar de andere waterplas.

Inmiddels staan ook duizendblad en heksenmelk in bloei. En zwarte mosterd – met gele bloemen – neemt het over van het raapzaad. Een éénjarige manshoge plant die al in de voorzomer staat te bloeien. De bijbel overdrijft niet als het de enorme groeikracht van het mosterdzaadje beschrijft, maar wel als het beweert dat het een boom wordt waar vogels in nestelen.  

Hoog in de lucht vliegen twee buizerds en een verkeersvliegtuig (met streep). De steenachtige dijkhellingen tonen steeds weer een beproefde beplanting: glad walstro, wit vetkruid, wede, zwarte mosterd, ganzerik, spoorbloem, echte kruisdistel.

Ik denk een mat van Robertskruid te herkennen, maar wordt verrast door de felrode kleur. Robertskruid blijft groen in de schaduw, maar kleurt inderdaad rood in de volle zon. De kleur rood (ruber) is zelfs een betere verklaring voor zijn naam dan de heilige Robertus. Voortaan schrijf ik Robertskruid met kleine ‘r’.

Ik moet even diep nadenken bij de hoge planten met grote bladeren waaruit stekels zomaar oppoppen uit de bladschijf. Maar natuurlijk, dat is de kaardenbol (nu nog niet in bloei). In de uiterwaarden een enorme wilg die gezond in blad zit, maar wordt geparasiteerd door enorme vruchtlichamen van de zwavelzwam. Volgens mijn zwamboekje is-ie eetbaar, maar dat wist ik op het moment van fotograferen nog niet. Overigens ziet-ie er niet bepaald appetijtelijk uit.

Ik bereik Herwijnen en daar ben je zomaar niet meer vanaf. Eerst Boveneind, dan Kerkeneind en dan Benedeneind, en dan zit je bijna bij het Brakelse Veer. Herwijnen is een naam die past bij andere namen in de omgeving: Opijnen, Neerijnen. Maar wat te denken van het dorp aan de overkant ietsje stroomopwaarts dat Hurwenen is geheten. Ik denk dat Hurwenen ook Herwijnen wilde zijn, en dat na een heftige discussie in de gemeenteraad is gekozen voor deze min of meer fonetische variant.

Herwijnen had ooit enkele veertiende-eeuwse kastelen, maar daar is weinig meer van over. Een smeedijzeren toegangspoort met de naam Engelenburg geeft nog toegang tot de contouren van een kasteel. En verderop draagt een gebouw nog de naam Frissestijn, verwijzend naar een verdwenen buitendijks kasteel. Ooit had Herwijnen ook een Ooievaarsbuitenstation, maar dat project is aan zijn eigen succes ten onder gegaan.

Een prachtig met riet gedekt dijkhuisje tegenover de poort van de Engelenburg heeft een intrigerende gevelsteen: ’T hanshuys, waarop een kunstschilder (Hans?) zijn hondje aan het schilderen is. In ‘t Hanshuys bevindt of bevond zich een curiosa-cadeauwinkeltje met beperkte openstelling. De historie wordt me niet helemaal duidelijk. Het heeft in elk geval niks te maken met Johannes van den Bosch (1780–1844), stichter van de Maatschappij van Weldadigheid en Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië, die in Herwijnen is geboren.

Ik passeer het al eens eerder beschreven peilschaalhuisje, maar nu onderlangs. Van hieruit zie ik binnendijks achter dit meethuisje een gewoon huis met een gewone schoorsteen. Op de schoorsteen staat een stoel en op de stoel ligt een jachtgeweer! ‘Once upon a time in West-Herwijnen’.

Bij het Brakelse Veer staan drie hele mooie bronzen beelden van Hans van Eerd uit 1999, om de voltooiing van de dijkverzwaring te vieren. Drie turende, wijzende en roepende borstbeelden die zich afvragen: “Waar is het water?”. Waarom zijn die beelden me bij eerdere passages niet opgevallen? Stonden ze er toen wel of waren ze in de revisie?

Na de gigantische Xella fabriek van kalksteenblokken en cellenbeton bereik ik Vuren. Ik loop vlak langs de Waal met een mooi zicht op Slot Loevestein aan de overkant, en bereik Fort Vuren dat onderdeel was van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Ik wandel naar de dichtstbijzijnde bushalte op de lijn Gorinchem–Geldermalsen voor de busrit naar Waardenburg. Drie kwartier laten ze me daar wachten, die ene keer dat ik het OV neem (nog zonder mondkapje).       

En? Wie gaat de heerschappij over deze aardkloot van ons overnemen? Niet de ‘hipster-eend’, de lepelaar of het ijsvogeltje. Ook de zwavelzwam gaat het niet worden. De bijbelse zwarte mosterd dan? Toen ik deze week in de ‘tuin’ werkte, werd ik weer eens gesterkt in de overtuiging dat Hedera helix wel een kanshebber is. Het climax klimop klimaat zit eraan te komen.

    

Gepost: 17 Juni 2020  

 

Struinroute Waardenburg–Vuren (25 km)