WANDELEN: Gulp

Tijdens een weekendje Zuid-Limburg grijpen Marita en ik de frisse maar zonnige zaterdag, 30 november 2019, aan voor een wandeling in het Gulpdal.

De Gulp is een zijriviertje van de Geul, oftewel via de Gulp kom je uiteindelijk in de Geul terecht. De Gulp ontspringt in België en stroomt in Nederland langs Slenaken en Gulpen.

Wij beginnen de route in Buurtschap Billinghuizen en steken meteen de Gulp over. Het Waterschap heeft een naambordje bij de beek geplaatst, dus de identiteit is gecontroleerd. Je weet maar nooit, want het stikt hier van de beken.

De Gulp is snelstromend en daardoor aantrekkelijk voor forellen, maar het is te koud om lang op het bruggetje op een passant te gaan zitten wachten. Zeer opvallend zijn de enorme hoeveelheden maretakken, een groenblijvende half-parasiet, vooral op populieren. Hoewel ook heksenkruid genoemd, is het geen heksenbezem. Heksenbezems worden veroorzaakt door micro-organismen die slapende knoppen op boomtakken ontijdig laten uitgroeien en woekeren, vooral op berken.

De graspaden door de weilanden langs de Gulp zijn modderig en soms vervuild met onsmakelijke Limburgse vlaaien (van koeien). Een trappetje naar beneden is glibberig door de rijp van de nachtvorst. Bij een vakwerkhuisje eindigt een landweggetje in de Gulp zodat de koeien zo nodig kunnen pootjebaden en de vlaairesten kunnen afspoelen.

We maken nu een wijde lus van de beek af over omringende heuvels. De routebeschrijving maakt dankbaar gebruik van alle katholieke parafernalia, zoals kruizen op kruispunten en schrijntjes op pleintjes. Maria zit veilig achter de tralies van een kapelletje langs het pad.

Prachtige holle wegen. Vier flinke holen vlak bij elkaar in het talud van een holle weg, met verse stortbergen van uitgegraven zand vóór de ingangen. Waarschijnlijk een vossen- of dassenburcht.

De paarse dovenetel bloeit in de berm samen met wat verdwaald raapzaad. Ik krijg een vogeltje scherp op de foto, maar kom met mijn vogelboekje niet verder dan een heggemus, tot mijn grote teleurstelling. Weidse uitzichten over de hellingen met in de verte een vreemde paddenstoelwolk tegen de blauwe hemel. Je moet wel durven om zoiets uit te braken.

Een informatiebordje verhaalt bij een kale vlakte over de ravage veroorzaakt door de Letterzetter (Ips typographus), een kevertje van nog geen halve centimeter. Zij graaft in de lente een gang onder de bast van verzwakte bomen – met name sparren – waarin de eitjes worden afgezet. De larven vreten gangen loodrecht op die hoofdgang, waardoor een mooi symmetrisch patroon ontstaat. Maar een letter kan ik er niet in ontdekken, wel een mooie typographie. 

We lopen nu weer vlak langs de Gulp. Waterschap Roer en Overmaas meldt dat de Gulp bacteriologisch is vervuild, dus niet zwemmen. Zal die forel ook niet prettig vinden.

Op een enkele plek hangen de maretakken zo laag dat je van dichtbij de witte glazige besjes goed kunt bekijken. Vogels eten het vruchtvlees, de kleverige pitjes (vogellijm) kiemen in de oksels van boomtakken.

In Slenaken kunnen we even genieten van een smakelijke Limburgse vlaai op een Limburgs terras in een Limburgs zonnetje. Hier verlaten we de Gulp weer en maken een wijde lus door heuvelig akkerland, grasland en bosranden.       

Een weide met één enkele wilg van enorme omvang wordt bevolkt door een kudde BBB (Blanc Bleu Belge), dikbilkoeien met leisteenkleurige vlekken en treurige varkensoogjes. Een hek is helemaal behangen met een verdord klimplantje met hele kleine grijze vruchtjes. In levende lijve herken ik kleefkruid wel, maar nu dus ook in dode lijve. Ondertussen bloeit de dagkoekoeksbloem maar door.

Eindelijk een kapelletje gewijd aan Sint Jozef, want die komt er in het algemeen nogal bekaaid vanaf. Buurtschap Schilberg dankt Sint Jozef dat het gespaard is gebleven voor verliezen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Voor de verandering enkele boomgaarden en velden aardbei, met hagen van meidoorn en haagbeuk. Een kruis op een kruispunt draagt een stichtelijke spreuk: ‘Höb respek veur eederinge!’ Wat mij betreft zou het Deens kunnen zijn.

En dan bereiken we voormalig Klooster Hoogcruts in de steigers, in 1979 door brand zwaar beschadigd. Alleen de voorgevel is inmiddels gerestaureerd, met daarachter een kale binnenplaats omgeven door geconsolideerde blote buitengevels.

We horen enkele knallen. Bij een akker met bloeiende mosterd staan vier jagers met geladen geweer te wachten. “Waar jagen jullie op?” “Varkens, fazanten.” “Wordt het wild opgedreven?” “Ja, de drijvers zijn onderweg hierheen.” Niet van plan om als mosterd vóór de maaltijd te dienen, wandelen we snel door, en komen buiten de gevarenzone de jachtmeester tegen. “Al wat gevangen?” “Nee, wel twee vossen gezien, maar die waren niet schietbaar.” “Net als die twee wandelaars”, vult Marita aan.    

We staan even stil bij een boom met speciale onbekende droge vruchtjes. Collega Roel determineert via een foto de bladloze boom als de gewone haagbeuk. Die heb ik zelf ook als heg in de tuin staan, maar vanwege snoei komen er nooit vruchtjes aan.

We moeten nog door een diep dal heen, met een zeer modderig laagste punt, geruïneerd door crossende terreinwagens, waarvan we enkele onderweg zijn tegengekomen. Vervolgens door een mooie bosrand terug naar het beginpunt. Komt goed uit, want Marita heeft er ondertussen wel zat van, vanwege een stel knikkende knieën.

 

Gepost: 18 December 2019

Groene Bus Wissel Nr. 332: Slenaken, het Gulpdal (14 km)