WANDELEN: IJrond

Soms moet je het nuttige met het aangename verenigen: dochter Ilse naar haar studentenkamer in Amsterdam brengen en een wandeling maken rond het IJ.

Het is dinsdag, 12 mei 2020. Ik zoek P+R Noord, maar kom ergens terecht in een nieuwbouwwijkje, waar ik gratis parkeer tussen de bedrijfswagens van de ondernemer. Splinternieuw is het Metrostation Noord op de Noord-Zuid Lijn.

Na een stukje Noordhollands Kanaal, pik ik de ‘Trage Tocht Amsterdam IJ’ op bij Café-Restaurant Pompet in het Noorderpark. Mijn oog valt op een aantal verwilderde ‘wilde’ gladiolen en een bodemdek van daslook. Iets oostelijker zit ik in het Vliegenbos. Vogels in overvloed, maar dat is niet vanwege al die vliegen. Het park is vernoemd naar wethouder W.H. Vliegen, die begin twintigste eeuw het initiatief nam tot de aanleg van dit stadsbos. De toornige tjiftjaf heeft het hoogste woord, maar valt stil wanneer een zanglijster laat horen hoe het ook kan.

Camping Vliegenbos was het doel van mijn examenreis na de Middelbare School, samen met drie klasgenoten, tijdens de ‘summer of love and peace’ van 1967. Heel lang heb ik dit verblijf in mijn geheugen opgewaardeerd naar het Bois de Boulogne in Parijs, tot in 2012 op een reünie mijn medekampeerders ruw mijn droom verstoren: “Geen Bois de Boulogne, Jan, maar het Amsterdamse Vliegenbos”.

Van het Vliegenbos over de smalle Nieuwendammerdijk – ooit de noordelijke zeewering van het IJ – met vele mooie oude pandjes en de Sint-Augustinuskerk – de parel van de dijk – waar het onkruid tot hoog boven de drempel staat als teken van jarenlange leegstand. Vervolgens gaat de dijk langs Jachthaven Twellegea. Dat klinkt Fries, en dat is het ook. Jachthaven Twellegea heeft zijn wortels vlakbij mijn geboorteplaats Sneek in het dorp Uitwellingerga, Twellegea in het Fries, ofwel Twel in kort-Fries.

De dijk met hoge populieren loopt verder onverhard door een stukje bos (zonder naam) langs het Binnen-IJ. Aan het eind van de dijk staan twee bijzondere kunstwerken van gestapelde granieten elementen. Ik moet meteen denken aan de Duitse kunstenaar Ulrich Rückriem, die enkele van onze  natuurgebieden heeft bezoedeld met blokken graniet. Een van de kunstwerken (‘So what …’) is wel verankerd, maar het andere (‘Any way the wind blows’) staat op houten pallets, dus is de locatie waarschijnlijk tijdelijk. In de lijst van Beelden in Amsterdam-Noord zie ik dat ik meneer Rückriem uit Duitsland onterecht beschuldig. We kunnen er zelf ook wat van, althans kunstenaar Ton Kalle.

Opnieuw een mooie groenzone langs het Binnen-IJ, het Schellingwouderpark, met twee kleine trekpontjes om zij-IJ-geultjes te overbruggen. De gele lis staat inmiddels langs de oevers in bloei. Het wilgenroosje is nog niet zover.

Ik bereik de Oranjesluizen die het Binnen-IJ scheiden van het Buiten-IJ (of het IJgeel van het IJwit als je Brouwerij ’t IJ heet en allerlei bijzondere biertjes maakt). Normaliter kun je per fiets of te voet de sluizen oversteken, maar het is onmogelijk om anderhalve meter afstand te houden: Gesloten wegens Corona.

In de verte ligt mijn alternatief, de Schellingwouderbrug óver het Buiten-IJ, met daarnaast de Zeeburgtunnel ónder het Buiten-IJ. Vele binnenvaartschepen, aangemeerd langs de oevers van het Buiten-IJ, worden blijkbaar permanent bewoond, getuige de wirwar van groene brievenbussen in de berm.

Via de brug bereik ik het Zeeburgereiland en volg de Zuider IJdijk. Hier is vlakbij de Oranjesluizen een groot terrein geëgaliseerd en bouwrijp gemaakt. Op een bouwcontainer staat met grote letters ‘Vaccinaties Foute Boel’, net nu al onze hoop gevestigd is op een Corona vaccin om weer te kunnen knuffelen. Op de oevers van het IJ volop interessante plantjes. Eerste kennismaking van mij met bleke morgenster en pijlkruidkers. Op de stenen bekleding van de dijk ook uitgebreide matten vetkruid, waaronder wit vetkruid, maar waarschijnlijk ook Siebold’s vetkruid, echter nog niet bloeiend.

Schiphol mag dan bijna geen passagiers meer bedienen, het aantal vliegtuigen dat de landing inzet naar de luchthaven valt me niet tegen: zeker vooral vracht.

Ik lunch op een onaantrekkelijke verlaten hangplek onder de Amsterdamsebrug, wel met bijzondere graffiti, maar mis daardoor de bankjes langs het Amsterdam-Rijn Kanaal, die spoedig verschijnen aan de overkant. De Amsterdamsebrug loopt over de mond van het Amsterdam-Rijn Kanaal en aan de overzijde wandel ik langs het Nieuwe Diep en door het Flevopark. In de berm veel beemdooievaarsbek met zijn vrij grote paarse bloemen. Op de meerpalen in het water rusten mantelmeeuwen uit van de vermoeiende visvangst. Ze zien niet dat een goudvis – al is die dan van kunststof – zich heeft verstopt achter een andere meerpaal.

In het Oostelijk Havengebied moet ik ‘(schier)eiland hoppen’, van Zeeburg achtereenvolgens naar Cruquius-eiland, Borneo-eiland, Sporenburg en KNSM-eiland. Tussen de stoeptegels groeit muizengerst, ofwel het kruipertje, dat eenmaal binnengedrongen in je broekspijp geniepig naar boven kruipt. Wie of wat was trouwens Cruquius? Cruquius, alias Nicolaas Kruik (1678–1754), was een waterbouwkundig plannenmaker, zijn tijd ver vooruit tot zijn eigen frustratie. Meerdere plannen (Nieuwe Waterweg, drooglegging Haarlemmermeer) zijn pas lang na zijn dood gerealiseerd.

Langs de Zeeburgerkade op Cruquius-eiland zijn de enorme pakhuizen omgebouwd tot appartementencomplexen. De zeven complexen hebben nog steeds de namen van de week, van Maandag tot en met Zondag. Nicht Sjoertje heeft haar appartement in Zondag. In een oud filmpje (1919) dat zij bemachtigde via de VVE, worden kisten thee door hijskranen overgeladen van een schip naar pakhuis Zondag. Binnen wordt de thee bemonsterd en gesorteerd. Wanneer het over thee of koffie gaat, dan veren wij op vanwege bijna honderdvijftig jaar familiebanden met Douwe Egberts.

De kades van deze (schier)eilanden staan vol met plantenbakken in alle vormen en maten om enigszins het gebrek aan tuinen te compenseren.

Tussen Borneo-eiland en Sporenburg liggen de twee bekroonde Rode Bruggen, de Pythonbrug voor voetgangers en de Lage brug voor alle verkeer. Esthetisch zeer verantwoord. De twee bruggen liggen ongezien ook over de Piet Heintunnel, die hier onder het water van het Spoorwegbassin naar het Zeeburgereiland loopt.

Op het uiteinde van Sporenburg ligt een parkje met een beeld van Jut en Jul, staande op een keukentafel en uitkijkend over het IJ, hetgeen de overgang van de huiskamer naar het buitengebeuren moet verbeelden. Een monumentje in het Keesje Brijdeplantsoen gedenkt de dertienjarige Keesje, die tijdens de hongerwinter in 1944 werd neergeschoten, toen hij op zoek was naar brandstof in het verboden havengebied. Het heeft gesneeuwd in het plantsoen: iepensneeuw! Een enorme massa gevleugelde zaden kleurt plantsoen en straten geelwit.

Via de Verbindingsdam kom ik op het KNSM-eiland. De Duitsers bliezen op het eind van de oorlog alle hijskranen op. Nieuwe kranen werden door de firma Figee gefabriceerd in de naoorlogse opbouwjaren, maar de overgang van stukgoed naar containertransport betekende het einde van het Oostelijk Havengebied en leidde tot een periode van verwaarlozing. In 1975 werd het hele Oostelijk Havengebied woonbestemming. Men heeft langs de Sumatrakade een oude Figee hijskraan op zijn plek laten verstillen. Er is een appartement in gevestigd dat te huur is, bijvoorbeeld voor een weekend IJ (maar bepaald niet voor een appel en een ei). Je theezakje moet je eigenhandig omhoog hijsen.

Het Oosterveer brengt me in zes minuten terug naar Noord. Ik doorkruis de aantrekkelijke Vogelbuurt – zeker geen Vogelaarwijk – en bereik het Noorderpark bij het gelijknamige Metrostation op de Noord-Zuid Lijn. Bij ‘Pompet’ zit mijn wandeling er bijna op. Terug naar mijn auto langs het Noordhollands Kanaal. Al met al een flinke tocht van ruim twintig kilometer vanwege de ‘aanlooproute’ en de omleiding, maar ik heb Amsterdam weer wat beter leren kennen.

    

Gepost: 31 Mei 2020  

 

Trage Tocht Amsterdam IJ (14 km)