WANDELEN: Voornes Duin

Op dinsdag, 7 januari 2020, doe ik de Boswachterswandeling Voornes Duin, die in het blad van Natuurmonumenten wordt beschreven. Maar de instructies zijn minimaal en de kaart niet gedetailleerd genoeg. Hoewel ik op een drietal kruisingen de mist in ga en minder dan de helft van de beoogde route volg, maak ik een prachtige wandeling vol variatie en sta stil bij een aantal mij onbekende planten. Ik denk de hele tijd: ‘Had ik collega Roel maar bij me voor de naamgeving’. Alsof de duvel ermee speelt vraagt Roel ’s avonds in een e-mail wanneer we weer eens samen gaan wandelen. Bingo! Drie dagen later, op vrijdag 10 januari, ga ik met hem op herhaling en door mijn voorwerk vinden we nu wel de uitgestippelde route. Maar we komen verschillende andere wandelaars tegen die het spoor van deze wandeling bijster zijn.

Vanaf Parkeerplaats Waterbos bij Rockanje eerst een stuk grijze duinen, zo genoemd omdat het zand door begroeiing niet meer wit is, maar grijs verkleurd door organische stof. Extra grijstinten door kolonies rendiermos. Langs het pad enkele struiken sneeuwbes en zuurbes, beide meteen te herkennen aan de vruchtjes. Schotse hooglanders houden de vegetatie kort. Een groene specht roept. Bonte spechten vliegen rond. Opvallend veel grote lichtgroene, viltige rozetten van een kaars, hoogstwaarschijnlijk de koningskaars (rozetten van de kaarsen zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden). Als kenner van mossen laat Roel me kennismaken met het grote en kleine duinsterretje. De blaadjes eindigen in een lange witte haar, een nuttige aanpassing aan droge omstandigheden (weerkaatsing zonlicht). Een heel klein éénjarig grasje is zanddoddegras, een zogenaamde winterannuel: kieming in de winter, bloei in het vroege voorjaar, overzomeren als zaad.

Er hangt een mystieke sfeer in het Waterbos door de mist. Langs de paden veel verdord koninginnenkruid. Een overdaad aan klimplanten in de struiken en kleine bomen. Kamperfoelie met kleine toefjes blad en heel af en toe een klompje bessen. Hop met verdroogde bellen. Dikke lianen van de bosrank met ‘ragebollen’ van dopvruchtjes met lange vruchtsnavels. Verdroogde haagwinde, herkenbaar aan de zaaddozen. Besjes van de Gelderse roos. Rozenbottels en rozengallen (bedeguargal) aan de wilde rozenstruiken. We komen een bijzondere ophoping van gallen tegen, op het uiteinde van de stengel van een rozenstruik: een kunstwerkje van de verwante rozenknolgalwesp. Een enkel exemplaar van Jacobskruiskruid en bezemkruiskruid in bloei. Tussen de bramen enkele planten die veel dichter stekelig behaard zijn dan normaal. Het blijkt een verwilderde tuinbraam, de Japanse wijnbes. Op de bodem regelmatig een mat van winterpostelein, ook een winterannuel.

Toen ik afgelopen dinsdag zocht naar de plek waar ik de groene paaltjesroute moest verlaten om op het strand te komen, kwam ik boswachter Han tegen, die deze mooie wandeling heeft uitgezet. Samen lopen we de laatste duinenrij over, ik met fotocamera in de aanslag, hij met een schop. Hij zal toch niet zand naar het strand gaan dragen? Maar de afrastering moet gerepareerd worden. Die moet wandelaars uit de kale, spaarzaam begroeide laatste duinenrij weren. Enerzijds omdat de duinen zelf kwetsbaar zijn, anderzijds omdat het in het voorjaar een belangrijk broedgebied is voor met name plevieren.

De zon breekt door het wolkendek. In het zand van de strandovergang groeit de zeeraket, eentje zelfs nog met een open bloem, in januari! Op het strand kleine heuveltjes met biestarwegras, de eerste fase van duinvorming, omdat dit gras kan groeien op zout water. In de volgende fase, wanneer de duinen hoger worden en zich door regenwater een zoetwaterbel ophoopt boven het zoute water, neemt helmgras de schone taak van zandvanger over.

Op het strand dartelen enkele drieteenstrandlopers, die af en toe een verfrissende duik nemen in de branding. Scholeksters wandelen achter elkaar langs de vloedlijn. In de verte de windmolens van de Tweede Maasvlakte, maar ook de hoge wallen van de Slufter, een enorm depot van verontreinigd baggerslib. Bij onze natuur is de beschaving nooit ver weg.

Voor de kust ligt de lange Hinderplaat, waardoor dit kustgebied langzaam in een waddengebied verandert. Een dertigtal zeehonden, wit- tot zwartgekleurd, ligt te relaxen op deze zandbank, maar weldra is het hoogwater. Een paar honderd meter uit de kust liggen enkele bunkers schots en scheef in het water. Zoveel is er sinds de oorlog van de kustlijn afgeslagen. Ook nu nog hebben de duinen op sommige plaatsen de steile wand van een klif. We steken weer de eerste duinenrij over.

Na de witte duinen met helmgras, duinen met duindoorn, de meeste struiken kaal, een enkeling met bessen. Duindoorn verrijkt de bodem door stikstof fixatie uit de lucht en bereidt daarmee het pad voor andere planten. Verderop bij de moerassige Schapenwei heeft een berk last van enkele heksenbezems.

Roel herkent een prachtige natte duinvallei van excursies met Wageningse studenten onder zijn leiding. In het voorjaar staan hier vele bijzondere planten, zoals geil tuichelheer, eh… teer guichelheil. Wat een tongbreker.  

We bereiken de Vogelkijkhut aan de oostkant van het Breede Water. Geen vogels, wel scheuten moerasandijvie in het water en zaadplanten van helmkruid op de oever.

Enkele zwart-witte klodders hebben zich om willekeurige kale stengels heen gevormd. Eerst denk ik vogelpoep die op de stengel is gevallen, maar het is daarvoor te systematisch. Schud je de stengel, dan verstuift de klodder helemaal. Waarschijnlijk het vruchtlichaam van een of andere schimmel.

Deze keer staan bij de rozetten van de tweejarige koningskaars ook nog de verdroogde moederplanten in vrucht, maar dat geeft ons nóg geen volledige zekerheid over de identiteit.

We betreden landgoed Strypemonde (monding van de Strype kreek). Eerst een bosje met de bijzondere Spaanse zilverspar (Abies pinsapo), dan enkele levensbomen (Thuja en Chamaecyparis). We wijken even van de route af voor een bezoek aan een prachtig laantje van de watercipres (Metasequoia). Een ree kruist ons pad. Langs een afwateringssloot een mooie populatie van de tongvaren.

Vanaf het uitkijkpunt over de Vogelwei vallen aan de overkant twee hoge Italiaanse populieren op met bollen maretakken en een raaf in de top. En die raaf laat zich horen. Een ijsvogeltje scheert vliegensvlug over de Vogelwei.

Enkele jonge planten met zeer viltig blad blijken het bijzondere voorjaarshelmkruid te zijn. Een oude hulstboom vertoont blad met een gave rand. De hulst moet echt hoogbejaard zijn wil hij blad zonder stekels gaan vormen.

We worden door de beschrijving attent gemaakt op een omgevallen wijdvertakte zwarte populier die vanuit frontale positie lijkt op een octopus met zijn tentakels. Helaas is recentelijk de kop van de inktvis in tweeën gebroken, waardoor het iets minder spectaculair oogt (één oog is verdwenen).

Op het eind van de wandeling een zone grijze duinen met sporen van landbouw. Het doet denken aan raatakkers uit de IJzertijd, maar dit zijn ‘schelveringen’ uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Akkertjes werden omgeven door een dijkje waarop duindoorn werd geplant om konijnen en reeën te weren uit de gewassen.   

     

Gepost: 24 Januari 2020

 

Nm.nl/routehan: Boswachterswandeling Voornes Duin (14 km)