WANDELEN: Ubbergse Heuvelrug

Tijdens de voorlaatste ijstijd (150,000 jaar geleden) kwam de ijsmassa door verhogingen in het landschap tot stilstand, ongeveer op de lijn Den Helder–Coevorden. Maar gletsjertongen drongen via de weg van de minste weerstand nog verder door, om het Veluwemassief heen. De tong door de Gelderse Vallei eindigde met de Utrechtse Heuvelrug, de tong door de IJsselvallei met de Ubbergse Heuvelrug bij Nijmegen.

De N70 Wandelroute op deze heuvelrug verwijst niet naar het nummer van de dichtstbijzijnde provinciale weg, maar naar het Europees Natuurbeschermingsjaar 1970. Ik heb de wandeling meerdere keren gedaan – mijn folder stamt uit 2006 –, maar nooit in mijn huidige ‘observatie’ modus.

Op dinsdag, 5 november 2019, ga ik op herhaling, met start bij Restaurant Tante Koosje in Nijmegen-Oost, naast de ingang van de Sint Maartenskliniek. Nijmegen heeft allang het meest westelijke deel van de stuwwal – de Hunerberg en het Kops Plateau – ingelijfd voor stadsontwikkeling, maar op dat deel was gedurende de eerste twee eeuwen van onze jaartelling een belangrijk Romeins legioenskamp gevestigd, dat aan de basis lag van de ontwikkeling van Ulpia Noviomagus Batavodurum (Nijmegen). Dit was tijdens het bewind van de Romeinse keizer Trajanus, die bij de oude Waalbrug met een standbeeld wordt geëerd.    

Ik wandel om de Sint Maartenskliniek heen. Mijn gedachten gaan uit naar mijn moeder, die vijftig jaar geleden tijdens haar laatste levensjaren hier onder (experimentele) behandeling was om de voortschrijdende Parkinson te remmen.

Het is triestig weer, af en toe motregen, en druppelende bomen bij ieder zuchtje wind. Via de hoge zuidzijde van Ubbergen bereik ik in Heerlijkheid Beek de rand van de stuwwal, met uitzicht op het piepkleine kerkdorp Persingen in de lage polder, zo klein omdat het meerdere keren door het water is overvallen. De opvallendste boom op de Ubbergse Heuvelrug is de tamme kastanje, die we hoogstwaarschijnlijk aan de Romeinen te danken hebben. Ook de Robinia is zich in grote getale aan het vestigen langs de bosranden. Vele heksenkringen van een plaatjeszwam komen voor op de bosgrond. Ik denk een trechterzwam, maar ik zou de proef niet op de som durven nemen.

Bij het boerderijtje De Natte Beek ligt de Westerakker, ook wel Elyzeese velden genoemd door romantici. Afgezien van de mooie herfstkleuren van de bladverliezende bomen, zie ik hier nog wat roze van de dagkoekoeksbloem. Op de akkers restanten van het gewas haver. Een buizerd is op zoek naar levende have.

Een klim naar de top van de Ravenberg met uitzicht op het brongebied van de beek van Beek aan de ene kant, en opnieuw het kerkje van Persingen aan de andere zijde, overigens nauwelijks zichtbaar in de mist.

Een mooi beukenlaantje leidt me naar het Kastanjedal met de  kleine heldere Beekse beek. Een populatie sterk ontwikkelde heermoes langs de waterkant, en enorme kastanjebomen op de hellingen; de ‘Kabouterboom’ heeft een diameter van ongeveer twee en een halve meter.

In het dorp Beek getuigen het beeld van een wasvrouw en een watermolen van het wasserij verleden, dankzij het kristalheldere water. Op de Kerkberg in het centrum staat het kleine, oude Bartholomeuskerkje, voor het eerst vermeld in de dertiende eeuw. Ook de iets hogergelegen Sint-Martinuskerk heeft een bijzondere uitstraling.

Een betonnen paal met een roze kop herinnert aan de Giro d’Italia, die in 2016 van start ging met drie etappes in Gelderland. Hier ligt de ‘Muur van Beek’, anderhalve kilometer lang, met een stijging van maximaal tien procent. Ik moet een deel van de ‘Muur van Beek’ bedwingen, maar mag gelukkig halverwege het Keteldal induiken.

In dit dal staat al meer dan honderd jaar een houten grenspaal met vier armen, op de voormalige grens met Duitsland. De grens is in 1949 twee kilometer gecorrigeerd. Twee armen wijzen in de richting van Duitsland en Nederland. De andere twee armen, loodrecht op de voorgaande verzuchten ‘Laat vriendschap helen, wat grenzen delen’. De paal stond er dus al vóór de twee Wereldoorlogen! Nu staan er ook witte en gevlekte dovenetel en dagkoekoeksbloem.

Via de Vossenberg bereik ik de Assekuul, weilanden gescheiden van elkaar door vlechtheggen van vooral haagbeuk. Enkele Lakenvelders hebben hier het rijk (van Nijmegen) voor zich alleen.

En weer is het klimmen, de Kleverberg op, langs Huize ‘De Wylerberg’, waar enkele natuurorganisaties zijn gevestigd (Nederlands Cultuurlandschap, Sovon, Das en Boom). De paden zijn hier erg glibberig door een gevaarlijk mengsel van regen en een toplaag van löss.

En weer is het afdalen….., en weer is het klimmen via een mooie kastanjelaan, waar een rode eekhoorn de hoorn des overvloeds vindt (tenminste als-ie van tamme kastanjes houdt). Overigens worden hier kastanjebomen selectief verwijderd omdat ze te dominant zijn geworden. De stronk van zo’n omgehakte boom is omgewerkt tot een harde stoel (zitting met achterleuning) met de tekst ‘Rust wat’. Geen overbodige luxe na al dat klimwerk.

Hier liggen op het hoogste punt van de Duivelsberg twee mottes (kunstmatige bulten), waarop ooit in de twaalfde eeuw de burcht Mergelpe met een kleine voorburcht heeft gelegen. Vanuit de voorburcht kijk je uit over het Wylermeer. Ik moet even denken aan neef Jan en partner Yvonne, die bij het Wylermeer en op de Duivelsberg levens hebben gered. Dat is een apart verhaaltje waard.

Ik laat me niet verleiden door het Pannenkoekenrestaurant De Duivelsberg, hoewel het klimmen en dalen sporen begint achter te laten in mijn kuiten. Ik bereik de Duitse grens bij grenspaal 635. Op de Duitse akkers staat een onbemande jachthut, zodat een buizerd zich op het dak durft te wagen.

Enkele leemkuilen, gevuld met water, zijn recentelijk weer zichtbaar gemaakt in het bos. De vegetatie eromheen is zich aan het herstellen. Opvallend zijn de toefjes kamperfoelieblad die overal opduiken. Het is onduidelijk uit welke tijd deze leemkuilen stammen, maar even verderop – bij Holdeurn – wordt een leemgroeve echt aan de Romeinen toegeschreven. Hier zijn overblijfselen gevonden van een grote Romeinse steenfabriek en pottenbakkerij, waar bouwmaterialen en voorwerpen werden vervaardigd voor legioen en stad. Lang na de Romeinen kwam de Stoompannenfabriek (1878–1934).

Een mooie lange afdaling door open beukenbos naar het Filosofendal en daar weer omhoog naar De Heksendans, nog een pannenkoekenrestaurant.

Via een klein stukje asfalt – een oude trambaan – bereik ik de Sterrenberg, ooit gezegend met een Uitkijktoren, nu met een bombastische Toscaanse Villa met een oprijlaan van cipressen. Een nieuwe uitkijktoren op een nabijgelegen punt is overwogen, maar ik denk dat de plannen onder in een diepe la liggen.

Nog een herinnering aan het wasserijverleden van Beek is een overdekte spoelput voor algemeen gebruik. Achterlangs het Verzorgingstehuis Kalorama (Grieks voor ‘mooi uitzicht’) door een bos van Amerikaanse eik. Vanaf de Wolfsheuvel nogmaals zicht op Persingen, over een begroeiing van sneeuwbes heen.

Het is twee uur: het eerste straaltje zonneschijn. Ik kom langs een open veld met enorme, laag-overhangende takken van zomer- en wintereiken langs de bosrand. Vervolgens via een mooie lindelaan ben ik terug in Ubbergen. Het toegangshek van een villa zit vol met kunstmatige spinnenwebben, een vergeten overblijfsel van Halloween. Tot slot het Hengstdal, maar zelfs die ene hengst is in geen velden of wegen te bekennen.

Een pittige wandeling, met hoogteverschillen van zo’n tachtig meter, die je een viertal keren moet overbruggen, hetgeen neerkomt op honderd verdiepingen omhoog en honderd verdiepingen omlaag. Een echte kuitenbijter!

           

Gepost: 10 November 2019

 

N70 Natuurroute Ubbergen–Beek (16 km)