WANDELEN: Kromme Rijn

De Rijn heeft in Nederland tijdens onze jaartelling meermalen zijn loop verlegd, soms spontaan (waardoor Schenkenschans in de achttiende eeuw op het droge kwam te liggen), vaker nog geholpen door bijvoorbeeld de Romeinen (met de Drusus-dam om de splitsing van Rijn en Waal in goede banen te leiden), de bisschop van Utrecht (afdamming Kromme Rijn) of Menno van Coehoorn (aanleg Pannerdensch Kanaal).

Even scherpstellen waar we het over gaan hebben vandaag. Er ligt een ‘Oude Rijn’ met Rijnstrangen tussen Spijk (waar de Rijn ons land binnenkomt) en Kandia (aan het Pannerdensch Kanaal). Maar een grotere omlegging vond plaats in 1122 toen de Rijn werd afgedamd bij Wijk bij Duurstede, en de Lek de afvoer naar zee overnam. Deze ‘Oude’ Rijn liep van Wijk bij Duurstede naar Utrecht (Kromme Rijn), van Utrecht naar Harmelen (Leidse Rijn) en van Harmelen naar Katwijk (Oude Rijn), om daar te lozen op de Noordzee. Het laatste stuk verklaart de naam Alphen a/d Rijn, een logische plaats voor het Archeon met informatie over deze ‘Oude’ Rijn als onderdeel van de grens van het Romeinse Rijk (limes).

Ik wandel vandaag, donderdag 25 juni 2020, een deel van het Kromme Rijn Pad, van Wijk bij Duurstede naar Odijk. Gezien de voorspelde hitte houd ik een tropenrooster aan. Om zeven uur zet ik mijn eerste stappen, om twaalf uur verwacht ik op een terrasje iets te happen en een biertje te tappen. 

Vlakbij de haven van Wijk bij Duurstede ligt een sluizencomplex dat sinds 1885 in gebruik is genomen om de inlaat van water in de Kromme Rijn uit de Neder-Rijn te herstellen en te controleren. De voornaamste reden was de uitbreiding van de Oude naar de Nieuwe Hollandse Waterlinie, zodat ook Utrecht door het water kon worden beschermd. De Kromme Rijn moest voor de inundatie aan de oostkant van Utrecht zorgen en werd dan ook de ‘kraan van Utrecht’ genoemd. Er is recentelijk een vispassage aangelegd, zodat vissen zich niet alleen met het inlaatwater kunnen laten meevoeren de Kromme Rijn in, maar ook de omgekeerde route kunnen volgen tegen de stroom in.

Net buiten de bebouwde kom herinneren enkele nagebouwde houten kades aan Dorestad, in de periode 650–875 een zeer belangrijke handelsplaats op de westelijke oever van de Kromme Rijn. Een stad die teloor is gegaan door een combinatie van oorzaken, waaronder de plundertochten van de Vikingen. 

Kersenboomgaarden onder zeildoek. Ik denk: ‘Timmertje, Timmertje, wat heb jij lekkere kersen!’, en dan doel ik op de kersen van boomgaard Timmer in Randwijk, aan de overzijde van de Rijn bij Wageningen, die een goede klant aan mij heeft.

Het Kromme Rijn Pad wisselt regelmatig van oever, vaak het jaagpad volgend waarlangs trekschuiten van het type Krommerijnder – platbodems met weinig diepgang – werden voortgetrokken.

Sint-Janskruid bloeit, evenals wilde cichorei, glad walstro en Jacobskruiskruid. De vlier staat prachtig in bloei.

Een kersenboomgaard wordt beregend. Vogels nemen er een douche en een zanglijster zingt in bad. Konijntjes genieten van het natte gras. En ik van de onschuldige aerosolen die over mijn wandelpad verwaaien. Spreeuwen hebben de tijd van hun leven in een verwaarloosde kersenboomgaard, die niet wordt geoogst.     

Een dooie pier ligt op het wandelpad. Nog niet opgepikt door de aaseters. Toch is dat de zin van het leven: dienen als voedsel voor predatoren, hoger in de voedselketen. En hieraan ontkom je echt niet als je de top bent van de voedselketen zoals ‘Sapiens’. Dan verga je gewoon tot stof en begin je weer helemaal onderaan. Is dat dan alles? Je kunt natuurlijk wel aan ‘zingeving’ doen, maar zoals het woord al zegt: dat is iets kunstmatigs. En die dooie pier is daar helemaal niet mee bezig geweest.

Ik nader het dorp Cothen en kom langs een eerste landgoed: Kasteel Rhijnestein. Althans, ik moet het doen met het poortgebouw, het kasteel is aan het oog onttrokken.

Cothen is een centrum van de kersenteelt met jaarlijks eind juni een heus Kersenfestival. Geen festival dit jaar, maar ik ben wel getuige van de ‘Lawaaischopper van Cothen’. Een jongeling die minimaal de popacademie heeft doorlopen bemant een uitkijktoren midden in een grote kersenboomgaard. Zijn commandocentrum is door draden verbonden met verspreid staande palen voorzien van het nodige blikwerk. Waagt een vreemde vogel zich in de boomgaard, dan volgt onherroepelijk een ruk aan een touw voor een onheilspellende kakafonie. Ik zie weer de Benedictijner monnik voor me op het dak van de Byzantijnse kloosterkapel in Chevetogne (Ardennen) tussen een twintigtal klokken. Door gracieus te bewegen met een aantal touwtjes in zijn handen weet hij een prachtig maar ingewikkeld riedeltje uit het carillon te persen. Maar zijn bedoeling is dan ook niet om vreemde vogels te verjagen, maar om ze naar de kapel te lokken.        

Na Cothen volgt het Ossenwaardpad vlak langs het water (met dank aan het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling). Gewoon nagelkruid is grotendeels uitgebloeid, maar grote klis staat te popelen. Zwanenbloemen en harig wilgenroosje kleuren de oevers. Een fuut zwemt rond met haar kroost op de rug. Talrijke libellen en juffers dartelen onnavolgbaar tussen de bloemen. Een kievit valt me lastig, waarschijnlijk omdat hij vindt dat ik hém lastigval. Hij kan beter zijn aandacht richten op de ooievaar die parmantig rondstapt en een groter gevaar is voor zijn pullen.    

Ik kom bij de afsplitsing van een dode lus, maar zo dood is-ie niet want verderop sluit-ie gewoon weer aan op de hoofdstroom. Langs deze lus staat een witte vierkante toren die geïnspireerd lijkt op de Romeinse wachttorens langs de limes. Het is de watertoren van Werkhoven met horeca op de begane grond. Een High Tea heet hier Hoog Water!

Een buizerd zit boven op zo’n ronde geplastificeerde hooibaal, maar het lukt hem niet om de hooibaal aan het rollen te krijgen.

Hier begint een mooi deel van de route waar je langs het water struint door pas gemaaide weilanden. Ik kom een afgerukt hazenpootje tegen (niet de klaver Trifolium arvense!). Twee hazen zijn op korte afstand van elkaar in stukken gereten, u weet wel, door een predator hoger in de voedselketen, zodat hun leven zin heeft gehad.

Een orchideetje tussen het gras, waarschijnlijk de rietorchis. Ik meld deze mooie verschijning aan twee wandelaarsters, maar zelfs met de neuzen erbovenop wordt de orchidee niet als zodanig herkend. Een eind verderop twee dames die de wit-roze bloeiende plant langs het water staan te bestuderen. “Meneer, weet u welke plant dit is?” “Valeriaan, dames, valeriaan is de naam.” Twee jaar geleden had ik met de mond vol tanden gestaan.

Bij Werkhoven een tweede dooie meander die ook weer aansluit op de hoofdstroom. Ik kom op de lange rechte Jachtlustlaan terecht. De hele laan is beplant met ‘zoete kers’ in bomvolle vruchtdracht. Niet de zoete ‘zoete kers’ (zoals de kersen van Timmertje!), maar iets wat meer naar de wilde ‘zoete kers’ neigt, de boskriek, met kleine, aangenaam bittere vruchten. De vogels lusten er wel pap van.

Ik bereik Kasteel Beverweerd. In maart 2015 ben ik met zoon Jelle binnen geweest. Om het werk van meestervervalser Geert Jan Jansen te bewonderen. De meester liep toen rond tussen zijn schilderijen die hij inmiddels niet meer signeerde als Matisse, Picasso, Appel, Hockney, Botero of Warhol, maar onder zijn eigen naam. Ik kocht ter plekke het boek Magenta met zijn levensverhaal en vroeg Jansen of hij het boek wilde signeren. Dat deed hij met plezier. En nu niet denken dat ik die handtekening heb vervalst!

Langs het laatste stuk van Beverweerd naar Odijk staan zogenaamde Limietpalen langs de Kromme Rijn, met een nummer voorafgegaan door de letter ‘O’ van Oorlog. Ik maak een foto van ‘O 354’. Het is een markering die te maken heeft met de aanvoerroute van water voor de inundatie in tijden van oorlog.

Op de oevers veel lisdodde met nieuwe bloeiwijzen die uit de stengelschede tevoorschijn komen. Zou daar de uitdrukking ‘een sigaar uit eigen doos’ vandaan komen? Bijvoet staat op het punt te gaan bloeien.

Ik blijf de Kromme Rijn bij Odijk volgen tot de aansluiting van de Langbroekerwetering. Langbroek was een moerassig gebied tussen de Kromme Rijn en de Utrechtse Heuvelrug. De wetering, min of meer parallel aan de Kromme Rijn (maar dan recht!) werd gegraven om het gebied te ontwateren, en vervolgens werd de grond aan beide zijden verkaveld. De kavels waren zeer in trek en je struikelt er over de kastelen en burchten.

Vandaag alweer een lijnwandeling in plaats van een rondwandeling. Ik wandel in Odijk naar de bushalte voor de rit terug naar Wijk bij Duurstede (mijn eerste ervaring met een mondkapje!).          

Ik eet en drink wat op ‘t Terras aan de haven. Mijn laatste keer op deze plek was in januari 2018 (op uitnodiging van mede-seminarist van meer dan vijftig jaar geleden, Lodewijk Bergsma, die hier vlakbij woont). De Rijn/Lek was toen spectaculair buiten zijn oevers getreden, en de woeste Viking bij de haven stond tot zijn knieën in het water.

 

Gepost: 11 Juli 2020  

 

Kromme Rijn Pad: Traject Wijk bij Duurstede – Odijk (18 km)