WANDELEN: Millingerwaard

Op donderdag, 1 oktober 2020, maak ik met oud-collega Roel een wandeling in de Millingerwaard. Om te vergelijken pak ik het verhaaltje van vier jaar geleden erbij (‘Millingerwaard’. In: It giet oan!, 2016).

De Millingerwaard ligt in de eerste meanderbocht van de Waal na de splitsing van de Boven-Rijn in Pannerdensch Kanaal en Waal, en wel op de zuidelijke oever. Onder het mom van ruimte voor de rivier wordt hier door K3Delta nog steeds zand en klei gewonnen. Vier jaar geleden gebeurde dat zowel aan de west- als aan de oostzijde, nu alleen nog aan de oostzijde. Volgens de planning zou hier in 2020 een einde aan moeten komen.

Maar het is en blijft een lekker ruig gebied met een verrassende stroomdal vegetatie. We betreden het gebied bij parkeerplaats Lange Paol tussen de dorpen Kekerdom (een naam als uit een sprookje) en Millingen a/d Rijn. We zitten meteen tussen de Galloway’s en de koniks. De koppen van de Galloway’s – ocharm – zitten door hun wollige vacht vol vruchten van de grote klit, die hier overdadig groeit en op deze manier nog verder wordt verspreid. Naast de grote klit zijn de kaardenbol, guldenroede, wilde reseda en talloze plukken van de zomerfijnstraal opvallende elementen in de vegetatie. Eén enkel exemplaar van de wouw illustreert nog even mooi de verschillen met de verwante wilde reseda.

Onder de zwarte populieren staat een paaltje met een bordje: ‘Als je goed kijkt, ontdek je meer!’. Deze open deur is afkomstig van Dirkje Buytendijk, de hoofdpersoon van de speurtocht ‘Het Geheim van Kekerdom’ (daar heb je het sprookje al!). Samen met Dirkje, de fictieve kleindochter van professor Frits Buytendijk, kun je op zoek gaan naar de geheimzinnige viskoffer van deze professor-hengelaar, die echt heeft bestaan. Sinds 1974 ligt professor Buytendijk op het buitendijkse kerkhof bij het Laurentiuskerkje van Kekerdom begraven. Ik word warempel nieuwsgierig.    

Wij bereiken inmiddels de fraai uitgevoerde, drijvende vogelkijkhut Flevopost. Nou ja, vier jaar geleden dreef-ie nog en heb ik hier lang zitten genieten van een grote groep zwarte sterns die op vijfentwintig kunstmatige vlotjes aan het broeden waren. Nu heeft het water van de nevengeul zich ver teruggetrokken, hangt de Flevopost scheef op het droge en liggen de vlotjes waarschijnlijk in de winterstalling. In de modder zoekt een volwassen witte kwikstaart naar voedsel, samen met twee pubers die nog niet helemaal goed ingekleurd zijn. Bitterzoet klimt van buiten over de reling naar binnen. In een andere klimmer meen ik de zwaluwtong te herkennen, maar Roel vertelt dat het de nauwverwante heggenduizendknoop is. Dit betekent dat ik in eerdere verhaaltjes onterecht de heggenduizendknoop voor zwaluwtong heb uitgescholden. Maar ik heb een excuus! De illustraties van deze twee soorten blijken in de Oecologische Flora te zijn verwisseld. 

Bosschages van echte bamboe en Japanse bamboe (Japanse duizendknoop) kondigen de Millinger Theetuin aan, een rijke oase tuin met een oosters tintje te midden van oude ooibossen.

We weerstaan de oosterse verleidingen en wandelen door op het schiereiland tussen de nevengeul en de Waal, eerst langs de oever van de nevengeul en terug langs de Waal.          

Puttertjes vliegen vrolijk van de ene naar de andere kaardenbol. Her en der staan rozetten van de veldhondstong, die ik vooralsnog alleen bij de Limburgse mergelgrotten ben tegengekomen (uiteraard was ik toen ook samen met Roel op stap).

Vier jaar geleden, toen ik nog aan het begin stond van mijn aandacht voor de wilde flora, nam ik vier plantjes mee in mijn jaszak, die thuis met Marita’s hulp op naam werden gebracht: avondkoekoeksbloem, muurpeper, akkerhoornbloem en… cipreswolfsmelk. De eerste drie zijn inmiddels gesneden koek, maar de vierde ben ik nooit meer tegengekomen, tenzij ik hem heb verward met heksenmelk, waar hij veel op lijkt. Hier staat een enorme populatie van de cipreswolfsmelk, enkele exemplaren zelfs nog in bloei. Het plantje doet inderdaad denken aan een cipres op Madurodam formaat.

Tussen de meidoornstruiken, teunisbloemen, toortsen, echte kruisdistel en bezemkruiskruid wandelen we in de richting van steenfabriek De Beijer, voorheen verboden terrein. Inmiddels is de ondernemer uitgekocht en kunnen we om de fabriek heenlopen. Hier ligt een heide-achtig veld vol wilde grote tijm, deels nog in bloei. Ertussen staat een enkel exemplaar van de grote centaurie, toch ook een vrij zeldzame verschijning.

Op het uiteinde van het schiereiland even een blik op de Kaliwaal Erlecom, hopende dat in deze voormalige zandwinningsplas geen granuliet is gestort. We bereiken de oever van de Waal en nuttigen ons twaalfuurtje in de luwte van een strekdam waar het strand vol staat met diverse ganzenvoeten, amaranten en nachtschades. Mocht ik nog eens dieper in deze groepen willen duiken, dan weet ik jullie te vinden. Het is bizar om tussen de keien van de strekdam rijpe tomaten te kunnen plukken. De planten zijn opgegroeid uit zaad dat door het water is meegevoerd. Hetzelfde geldt voor ‘superfood chia’ (Salvia hispanica), waarvan enkele niet-bloeiende exemplaren verspreid op het strand staan. Ook het stekelige loogkruid duikt steeds vaker op langs de rivieren, terwijl het van oorsprong een zoutminnende strandplant is. Smal vlieszaad is inmiddels uitgebloeid en verbleekt. Onder gunstige omstandigheden kan het een ‘steppenroller’ worden.

In de groep van de kruisbloemigen hernieuw ik de kennismaking met grijskruid en knopherik, en leer ik akkerkers en Oostenrijkse kers kennen. In de groep van de composieten: stekelige dubbelkelk, klein vlooienkruid en moerasdroogbloem.

We passeren ‘Woodhenge’, enkele achtduizend jaar oude eikenstammen die hier opgegraven zijn. Ze zijn rechtop gezet, in metalen dwangbuizen, om het rottingsproces te vertragen. Dat krijg je als je mummies uit hun sarcofagen haalt en blootstelt aan weer en wind.

Een grasvlakte bestaat uit bloeiend handjesgras (Cynodon dactylon), makkelijk te herkennen aan de aren die ontspringen in één punt als de ribben van een omgekeerde piramide. Zandzegge kruipt met zijn lange uitlopers en regelmatige toefjes blad steeds verder de zandvlaktes in. Op de rivierduinen staat zelfs een bloeiend exemplaar van de pijpbloem.

We wandelen om de Millinger Theetuin heen, passeren het voetveer in ruste Millingerwaard–Doornenburg, en volgen de Waiboerweg richting de K3Delta zandwinning. Blijkbaar heeft iemand in 1944 vanaf de Waiboerweg de laatste zwarte raaf uit het gebied zien wegvliegen (samen met de terugtrekkende Duitsers?). Omdat men binnenkort de raaf terug verwacht, is de top van de zandwinningstoren versierd met enkele drie meter hoge raaf silhouetten. Als de brave terugkerende raven nu maar niet schrikken van het formaat.

Geplaagd door motregen wandelen we terug langs de zogenaamde ‘kwelvingers’, zijgeulen van de dominante nevengeul van de Waal. Maar ook hier heeft het water zich teruggetrokken als bloed uit steenkoude tenen. Het wordt tijd dat hoogwater in de Rijn en Waal gebruik maakt van de nevengeul om alles weer eens lekker door te spoelen. Het plantje ijzerhard overleeft dat wel. Het heeft stengels zo sterk als ijzerdraad.       

Hopelijk komt het gebied een beetje tot rust nadat de zandwinning is beëindigd. Er valt immers veel te ontdekken volgens Dirkje Buytendijk. Als het geen bevers zijn, dan wel vijandige indringers zoals de Chinese wolhandkrab, waarvan we enkele exemplaren tegenkomen in de modder.     

 

[Beeldverslag: https://www.jansiemonsma.nl/443392919]

 

 

Gepost: 16 Oktober 2020  

 

Route.nl: Millingerwaard Alternatief (13 km)