WANDELEN: Oostvaardersplassen

De prachtige Oostvaardersplassen figureren in twee van mijn eerdere verhaaltjes. Een fietstocht van ongeveer veertig kilometer om de plassen heen (‘Oostvaardersplassen’, In: Tjiftjaffen, 2014) en een vogelexcursie onder deskundige leiding (‘Vogelen’, In: It giet oan!, 2016).

Mijn wandeling op dinsdag, 22 december 2020, begint bij het Buitencentrum aan de Knardijk. In het gebied bij de Zeearend (vogelkijkhut) zijn buiten het broedseizoen wat meer wandelpaden opengesteld. Maar wat in elk geval hetzelfde is gebleven zijn de karpers die onder het eerste de beste bruggetje hun ronde bek opensperren voor een aalmoes.

Ik bereik het eerste vogelscherm dat uitkijkt over de Keersluisplas. Het houten bruggetje ernaartoe piept ongenadig, denk ik. Maar in de hut proberen twee echte vogelaars het beest bij de piep te vinden tussen de rietkragen. Het gepiep gaat over in het gekrijs van een speenvarken: de waterral. Ik hoor voor het eerst bewust het roepen van de schuwe waterral. We krijgen hem niet te zien. In de plas zelf een groepje woerden van de slobeend, met de bruine vlek op de zij.

De meeste bezoekers gaan rechtstreeks naar de Zeearend, maar ik maak een omtrekkende beweging en maak enkele foto’s van vogels in dooie bomen: een blauwe reiger in de ene, twee spreeuwen – mooie vogel, hoor! – in een andere. Ze smeren ’m bij het klikken van de camera.  

Vanuit de Zeearend een mooi uitzicht over het grote open van de Oostvaardersplassen. Heel veel kieviten, zwanen, maar nog weinig ganzen. Later zie ik vanuit de auto dat grote groepen grauwe ganzen bivakkeren in de nabijgelegen akkers, waarschijnlijk Scandinavische ganzen op doorreis naar hun tante in Marokko.

In de Zeearend wijst weer een andere echte vogelaar me op een zeearend met gespreide vleugels ver weg op een paaltje langs het water. Ik krijg het dier vaag in de kijker en vind het knap dat-ie is herkend als zeearend. De vogelaar is echter zeker van zijn zaak, want hij heeft al een tijdje zijn vliegbewegingen gevolgd.

Ik vervolg de route naar de kijkhut ‘Wigbels eiland’, maar daar is het uitzicht min of meer identiek. Wel bijzonder is dat ik nu enkele keren waterrallen hoor piepen en krijsen: dus echt weer wat geleerd vandaag.

Onder de spoorlijn door richting de Kleine Praambult, een ander verhoogd uitkijkpunt. Boven mij vliegt een grote roofvogel, maar van mij af zodat ik twijfel. Maar dan draait hij zich plotseling even om en zie ik hem pal vanonder, met zijn bijna rechthoekige vleugels (‘vliegende deur’) en zijn witte staartveren. Een prachtige volwassen zeearend!

Het is niet erg helder vandaag, en dichtbij de Kleine Praambult grazen enkele Heckrunderen en koniks. Heel in de verte lopen grotere kuddes, waaronder waarschijnlijk de edelherten, want het afschieten van het overschot is nog lang niet gedaan.

In de plassen van het Oostvaardersveld steken op een flink aantal plaatsen rozetten van lange lichtgroene bladeren uit het water omhoog. De moerasandijvie is zich duidelijk aan het uitbreiden. In mei bloeit deze composiet prachtig.

Het is stil in het Praambos. Op weg naar de Krakeend (vogelkijkhut) moet ik tussen de koniks door, maar die verschaffen ruim baan. Ook hier een groepje slobeenden in het water, zowel woerden als eenden. Een andere bezoeker denkt twee pijlstaarten te zien, maar ze blijven voor mij onder de radar, waarschijnlijk weggezwommen achter het aalscholvereiland. Wel plots een flink rumoer in de plas en een karper komt helemaal los van het water in een stoeipartijtje met z’n vrienden (of vriendin!).

Vlakbij de Lage Knarsluis in de Lage Vaart steek ik over naar het bos Hollandse Hout. Een geciviliseerd bos met nette vakken van het één en ander: beuken, naaldbomen en grootbladige populieren. Langs de paden staan al enkele hazelaars in bloei. Zelfs de rode stampers van de vrouwelijke knoppen steken al voorzichtig naar buiten om te voelen of het nog niet te koud is.

Een bordje wijst de weg naar een verborgen scheepswrak. Inderdaad, een grafheuvel. Opgegraven, oppervlakkig onderzocht, maar weer begraven omdat men denkt dat in de toekomst betere onderzoekstechnieken meer gegevens zullen opleveren. Kortom, zand erover! De windvaan geeft aan dat ik me op ongeveer vijf meter onder NAP bevind.

Er liggen niet alleen tientallen scheepswrakken op de bodem van de polders. Van nog eerder zijn een aantal verdronken dorpen, zoals recentelijk door archeologisch ‘droogte’ onderzoek is aangetoond, tot op heden vooral in de Noordoostpolder.

 

[Beeldverhaal: https://www.jansiemonsma.nl/335118341]

 

Gepost: 5 Januari 2021  

 

Mooisteroutes.nl: Ganzenmars (15 km)