WANDELEN: Savelsbos

Voordat de lente ongemerkt aan ons voorbijgaat door rigoureuze Corona maatregelen, neemt collega Roel – botanicus – me op vrijdag, 20 maart 2020, mee voor een wandeling in het Savelsbos bij Maastricht. Dat heb ik geweten! Het heeft me enkele dagen gekost om alle botanische informatie te verteren en het een plaatsje op mijn ‘harde schijf’ te geven. Roel is geboren en getogen in Maastricht, kent het Savelsbos als zijn broekzak en weet alle plekjes met bijzondere planten feilloos te vinden.

Zuid-Limburg is een bijzonder aanhangsel van ons kleine landje, omringd door buitenland. Daardoor is het voor enkele ‘buitenlandse’ planten de enige standplaats in Nederland.

Het Savelsbos is een hellingbos aan de oostelijke zijde van het Maasdal, doorsneden met droogdalen die richting het Maasdal aflopen. Die droogdalen heten ‘grubben’ (dat zal Monsieur Gérard deugd doen). Het Savelsbos heeft mergelgroeven (kalksteen van biologische oorsprong) en zelfs een vuursteenmijn, die zo’n vijfduizend jaar geleden tijdens de Steentijd grote delen van Europa van speerpunten en hakbijlen heeft voorzien. Zuid-Limburg had de eerste internationale wapenindustrie!

We starten in Cadier en Keer bij een kalkwand die de Wolfskop heet. De kalksteen is afgezet op een dikke laag van vuursteen. Natuurclub Cadier en Keer is hier actief en de multifunctionele trap naar het plateau vóór de wand is niet alleen voor ons bedoeld, maar ook voor het vliegend hert (kieren in de traptreden) en de levendbarende hagedis (holtes in de trapleuning).

Roel wil hier een paar omgevingsfoto’s maken, want hij heeft bij eerdere gelegenheid enkele bijzondere mosjes gevonden, het kalktrapmos (weer die trap!) en een aloëmos, piepkleine plantjes die slechts met een loep te vinden zijn tussen andere mossen.

Er zijn ook enkele kleine waterpoelen aangelegd, want de vroedmeesterpad is hier actief. Wanneer het vrouwtje eitjes heeft gelegd, wikkelt het mannetje de eiersnoeren om zijn poten en gaat er mee aan de wandel. Als de eitjes op uitkomen staan, deponeert hij de slingers in een waterpoel.

Vóór we het Savelsbos bereiken zingt een geelgors de begintonen van de ‘Vijfde’ van Beethoven. Het Maarts viooltje bloeit. De boswilg is de eerste bloeiende wilg, de mannetjes met hun meeldraden wat opvallender dan de vrouwtjes. Een helling is volledig bedekt met (niet bloeiend) look-zonder-look. Wel in bloei staan het eenjarige tuinbingelkruid, muskuskruid, het zeldzame gevlekte longkruid (althans wild), grote muur, een verwilderde paarse helleborus en aardbeiganzerik.

We komen twee bestuursleden van de Natuurclub Cadier en Keer tegen die nestkastjes aan het ophangen zijn. Wanneer ze vernemen dat Roel uit Maastricht komt, gaat de conversatie meteen over in goed te volgen Limburgs spraakgebrek. Roel belooft een artikeltje aan te leveren voor het lijfblad ‘Ut Wiet Klief’ (De Witte Klif) over de bijzondere mosjes die hij op de Wolfskop heeft gevonden.

Op een kruispunt van paden staat een smeedijzeren kruis met een tekst waar zelfs Roel geen chocola van kan maken: ‘Dae uuch leef haet mie es iech, hauw dae gerös mie leef es miech’ (Degene die meer van u houdt dan ik, hou daar ook gerust meer van dan van mij). Een weinig assertieve spreuk van Onze-Lieve-Heer (of meneer Pastoor). Je zou verwachten: ‘Niemand houdt meer van u dan ik, dus het is niet nodig iemand anders meer lief te hebben dan mij’.

De bodem van het Savelsbos is een zee van bloeiende bosanemoon met in de grubben ‘rivieren’ van daslook met ongeduldige bloemknoppen nog verscholen tussen de bladeren. De botanische les gaat maar door: overblijvend bosbingelkruid (zeldzaam!), jonge scheuten Salomonszegel, de maretak in populieren, en zoete kers langs de bosrand. Ik ben blij dat we even een saai stukje moeten overbruggen, waardoor ik ‘botanisch’ op adem kan komen.

Op de Riesenberg zien we een solitaire tongvaren en het donkersporig bosviooltje. Alleen al aan een bloeiwijze die uit de boom is gewaaid ziet Roel dat het een Noorse esdoorn is en niet de gewone.

Op een dassenburcht staat een flinke populatie van wilde narcis (heel zeldzaam!), samen met een wilde helleborus, namelijk stinkend nieskruid. Bij de ingang van een mergelgroeve rozetten van de veldhondstong tussen rozetten van de koningskaars. En witte dovenetel… en dagkoekoeksbloem… en avondkoekoeksbloem… en wild kattenkruid.

Op de helling van een grub staan enkele verwilderde planten van de stinkende lis. Het houdt niet op: slanke sleutelbloem, witte klaverzuring, grote veldbies. Veel speenkruid als mat op de bosbodem, maar bosanemoon wint de strijd met vlag en wimpel.

In de berm van de doorgaande Eckelraderweg een populatie van de bolletjeskers, de enige standplaats in Nederland. Deze kruisbloemige staat nog niet in bloei, maar kleine bulbillen beginnen zich te vormen in de bladoksels. Daarmee kan de plant zich vegetatief vermeerderen.

Het kalkgraslandje Zure Dries is omheind en verboden terrein. Hier bloeit in mei een kleine populatie van de zeldzame poppenorchis.

Vlakbij de ingang van de vuursteenmijn groeit een beperkte, maar standvastige populatie van de amandelwolfsmelk, alweer de enige vindplaats in Nederland. De planten worden omringd door anemonen, zowel de bosanemoon als de gele anemoon.

Roel wijst me ook nog de locatie van de zwartblauwe rapunzel, maar die bloeit nog niet en is dan moeilijk te vinden.

Wij verlaten het Savelsbos in de richting van Sint-Geertruid. Langs de bosrand passeren we wel een vijftiental dassentunnels en paadjes onder de braamstruiken door naar de omringende akkers en weilanden. Op verschillende plaatsen hangen plukken dassenhaar in het prikkeldraad. Vlakbij de dassenburchten liggen enkele onsmakelijke latrines. Dassen hebben de gewoonte een kuiltje te graven waar ze meerdere keren hun behoefte doen.

Roel herinnert zich van lang geleden in Eckelrade een oude muur waartegen een bijzondere varen groeit. De muur staat er nog, met een aantal steenbreekvarens en twee exemplaren van de bijzondere schubvaren.         

Help!!

 

Gepost: 4 April 2020  

 

Struinroute: Van Cadier en Keer via de Wolfskop door het smalle Savelsbos van noord naar zuid, tot aan de vuursteenmijn, dan oostelijk naar Sint-Geertruid, en via Eckelrade terug naar Cadier en Keer (17 km).