WANDELEN: Rondje Rhenen

Start van mijn wandeling – dicht bij huis – op vrijdag 3 juli 2020 is bij het treinstation Rhenen, beter gezegd bij Cunera Steakhouse en Cunera Hair Studio. Rhenen wordt beheerst door Cunera: Cunera-toren, Cunera-kerk, Cunera-laan, en wat te denken van Cunera-vloerbedekking. Zelfs Wageningen heeft er een tik van meegekregen met een Cunera-huis op de Markt. Dat verdient enige verdieping.

Op de website van het Cunera-gilde lees ik dat rond het jaar 400 A.D. de Engelse prinses Cunera met haar nicht Ursula en elfduizend andere ‘maechdekens’ op bedevaart gaat naar Rome. Op de terugweg worden ze door de Hunnen overvallen en gedood, behalve Cunera die door de Koning van de Rijn Radboud wordt gered. Hij neemt haar mee naar zijn paleis in Rhenen. Daar leidt Cunera een voorbeeldig leven en helpt de armen met eten uit het paleis. Koningin Aldegonde wordt jaloers, wurgt Cunera en begraaft haar in de paardenstal, en zegt dat haar ouders haar in alle haast zijn komen ophalen. De moord wordt ontdekt omdat de paarden met geen stok de stal in zijn te krijgen. Er gebeuren vele wonderen bij het graf van Cunera en bisschop Willibrord verklaart haar heilig rond het jaar 700. Hoewel Cunera waarschijnlijk nooit heeft bestaan, is de wurgdoek bewaard gebleven (Catharijneconvent, Utrecht).

Pelgrims betekent inkomsten. In 1475 lukt het Rhenen om ‘Aflaatplek’ te worden. ‘Aflaten’ worden verkocht aan gelovigen zodat ze een paar dagen korting krijgen op de verblijfsduur in het Vagevuur. En de Cunera-toren wordt maar hoger en hoger, thans tweeëntachtig meter.   

Mijn route begint onderlangs Rhenen over een pad langs de Rijn met mooi zicht op de Cunera-toren. De torenklok slaat éénmaal, het is kwart over negen. Zozo, een klok met een kwartierslag. Ik geniet van de begroeiing langs het wandelpad: boompjes vol walnoten op haphoogte, bramen en meidoorns behangen met de klimmende heggerank, veel akkerwinde, een enkele haagwinde (met dubbele kelk), kaasjeskruid, gewone bereklauw die het stokje heeft overgenomen van fluitenkruid. Toch ook hier weer plaatselijk de woekerende Japanse duizendknoop.

De grote uitspanning ‘Moeke a/d Rijn’ blijft me bespaard (en leidt me niet in bekoring). Langs het paadje Buitenomme veel Jacobskruiskruid, vergezeld van boerenwormkruid, maar ook mottenkruid met zijn paars-wollige helmdraden. Het is half tien wanneer de beiaard van de toren een kort wijsje speelt, gevolgd door tien klokslagen. Dat is normaal, volgens de voorzitter van het Cunera-gilde, die ik om uitleg heb gevraagd. Alleen het wijsje voorafgaand aan de uurslag is anders en langer dan het wijsje bij de halfuurslag, maar beide keren moet je tot tien tellen. Leuk om te weten dat de Engelse beiaards om half tien geen tien maar negen keer slaan, want half tien is bij hen ‘half past nine’.

Ik beklim door de buitenwijken van Rhenen geleidelijk de Utrechtse Heuvelrug, langs Sportcentrum ’t Gastland, niet zo lang geleden in het nieuws vanwege een tragisch ongeval in het zwembad.

Door de Stadsbossen Rhenen. Veel Robinia langs de paden en de lijsterbes begint te kleuren. Er wordt ontspannen gehobbyd in de Volkstuinen. Dan moet ik even slikken bij de kapitale villa’s die hier zijn neergezet. Ik vind dat ik al een bevoorrecht mens ben, maar hier is sprake van overbedeling. Hier passen geen gewone schapen bij. Wel een schapenras met een zwarte ziel, zwarte oren, zwarte oogkringen, zwarte snuit, zwarte knieën en zwarte sokken: het Kerry Hill schaap uit Wales.

De karmozijnbes begint te bloeien. Langs de akkers randjes met korenbloem. Ik zie weer eens een akker die volledig, maar dan ook volledig egaal begroeid is met melganzevoet (zag ik onlangs ook in Groningen). Je zou bijna zeggen dat het onkruid is ingezaaid, maar het is waarschijnlijk spontaan dominant op zwaar bemeste grond.

Via Achterberg – de naam is geen toeval – krijg ik mooi zicht op de beboste Laarsenberg, die als onderdeel van de Grebbeberg het uiteinde vormt van de Utrechtse Heuvelrug. Dwars op de helling zijn door de boeren ‘graften’ aangelegd, mini-terrassen met houtwallen om erosie te voorkomen. Er zijn hier veel zwerfkeien uit de akkers verwijderd. Bijzonder zijn de zwerfkeien met één of meerdere gladde oppervlakken, zogenaamde ‘windkanters’, die door de wind zijn gepolijst. Ik kom er geen tegen.

Drie vrij algemene vlindertjes vermaken zich tussen de bloemen: dagpauwoog, bruin zandoogje en koolwitje. In het Laarsebos veel stinkende gouwe en klein springzaad, dat zijn zaad al laat springen bij de minste of geringste aanraking. Onder de tamme kastanjebomen liggen massa’s overbodige mannelijke bloeiwijzen te verpieteren. Een ‘windkanter’ met meerdere gladde oppervlakken ligt langs het bospad, net iets te zwaar om mee te nemen.

In het Laarsebos ligt Ouwehands Dierentuin, maar ik krijg geen zicht op het beren- en wolvenbos. Door de prachtige TV serie ‘Het echte leven in de dierentuin’ zijn de anonieme beren persoonlijkheden geworden: Mincho en Maria, beide met PTSS. Om niet te spreken van de twee reuzenpanda’s, vrouwtje Wu Wen en mannetje Xing Ya, alias Yin en Yang, die morgenavond gaan paren. Althans op TV, want inmiddels is reuzenpanda baby ‘Scheetje’ (Pang) al geboren.

Ik breng een kort bezoek aan de kleine expositieruimte op de Erebegraafplaats Grebbeberg. Driehonderdvijf militairen zijn bij de verdediging langs de Grebbelinie gesneuveld.

Aan de overkant van de doorgaande weg ligt de Grebbeberg sensu stricto, met uitzichten over natuurgebied De Blauwe Kamer langs de Rijn en de Betuwe aan de overkant. De route loopt langs een uitgebreide begroeiing van manshoge adelaarsvarens.

De vroegste sporen van een Ringwalburg dateren van zo’n vierduizend jaar geleden, maar de burg is ongetwijfeld bij meerdere gelegenheden aangepast en gebruikt. Zoals door Frederik V van Palts (Wat moet die hier?), die rond de Koningstafel binnen de omwalling zijn jachtpartijen luister bijzette. Deze Frederik (1596–1632) was een kleinzoon van Willem van Oranje, eventjes koning van Bohemen, maar al snel verbannen naar Nederland.

Er is hier een mooi uitzichtpunt. Iemand heeft vanaf het plateau een peuk naar beneden gegooid, met een klein brandje tot gevolg. Misschien wilde de boosdoener een weidser uitzicht. Nadat koningin Aldegonde prinses Cunera had gewurgd en de misdaad was ontdekt, zou ze zelfmoord hebben gepleegd door van deze ringwalburg te springen.

De route leidt me via een lange stalen trap naar beneden, naar het fietspad onderlangs. Tweehonderdzestig treden, zesendertig meter hoogteverschil. Niet dat ik de treden geteld heb, maar het staat trots op de onderste trede in het staal gegrift.

Door een erosiegeul mag ik weer omhoog klimmen en verderop weer afdalen naar de zandwinningsplas en mooie nieuwbouwwijk Vogelenzang. Een groenzone in de wijk is een ingezaaide bloemenpracht met gele kamille, veel ruige anjer, wondklaver, een enkele wede en witte honingklaver.

Via de Rietgors en de Tuinfluiter bereik ik de…  Cunera-laan, het verlengde van het fietspad onderlangs. Ik heb er nog niet genoeg van en loop het fietspad onderlangs helemaal uit naar Villa Grebbeoord voor een drinkstop in de tuin. Een prachtig gerestaureerde brasserie is het geworden na een bewogen geschiedenis in de frontlijn in 1940 en een brand in 2014.

Vervolgens dezelfde weg weer terug met oog voor de vegetatie. De hazelaar laat zijn onrijpe hazelnoten zien, de sleedoorn zijn nog groene pruimpjes, de kardinaalsmuts zijn bleke mutsen, en de wilde kruisdistel zijn stekels. Overigens vrees ik dat de twee ‘wilde’ witte elzen in de verdrukking het loodje hebben gelegd. Sinds kort herken ik de slanke, geelbloemige ‘aren’ van de gewone agrimonie. Ik zie moerasspirea en kattenstaart langs het water, bitterzoet dat zich langs andere planten omhoog werkt, grote wederik (en ben me nu bewust van het verschil met de verwilderde puntwederik), wilde bertram, veel kompassla aan het begin van de bloei, wilde marjolein, kaardenbol, de stekelige kattendoorn en slangenkruid. Maar ik ben aangenaam geraakt door een eerste kennismaking met de pijpbloem!

    

Gepost: 15 Juli 2020  

 

Grebbeberg – Rondje Rhenen (15 km)