WANDELEN: Bunderbos

Na de leerzame tocht door het Savelsbos, gooi ik er in m’n eentje nog maar een Zuid-Limburgs hellingbos tegenaan. Kan ik de opgedane ervaring nog eens oefenen.

Ook het Bunderbos is een smal en lang hellingbos op de oostelijke Maasoever en gelegen tussen Elsloo en Bunde, ter hoogte van het Vliegveld Maastricht-Aken.

Ik start op woensdag, 25 maart 2020, bij het kleine stationnetje van Bunde op de lijn Geleen–Maastricht, waar de Arriva treintjes met grote regelmaat voorbij razen. De spoorlijn loopt in de lengte door het Bunderbos heen en is een permanent oriëntatiepunt. 

De eerste indruk wordt gemaakt door de tjiftjaf, maar dan volgen matten van bloeiend speenkruid en bosanemoon, en nog niet bloeiende daslook en look-zonder-look, met daartussen heel veel gevlekte aronskelk.

Een aantal kleine beekjes stroomt vanuit het hellingbos richting de Maas, maar wordt opgevangen door het Julianakanaal, een lateraal kanaal ten oosten van de Maas van Maastricht naar Maasbracht.

Af en toe liggen er maretakken op mijn pad, die uit een populier zijn gewaaid of samen met een populier zijn omgevallen. Ik zie dat ook de Robinia, die talrijk is in de bosrand, niet immuun is voor de maretak. Waar het terrein wat opener is bloeien kleine veldkers, de eerste pinksterbloemen, paarse en witte dovenetel, donkersporig bosviooltje en witte klaverzuring. Regelmatig een groepje witte bloempjes van grote muur. Een grote fietsbrug leidt me over de spoorbaan.

Er liggen een aantal pittige klimmetjes op de route. Her en der in het bos wroetsporen van wilde zwijnen, hoewel die hier niet mogen komen. Ik herken grote populaties van grote veldbies en voorjaarshelmbloem. Het eerste groene plantje met een vraagteken blijkt een bosvergeet-mij-nietje te worden.

Bij de Leukderbeek moet ik een paardenweide oversteken, maar dat vindt de eigenaresse niet leuk. Ze is net met een rugspuit druk in de weer om giftige paardenonkruiden te vergiftigen. Ze betreurt het dat de ontwerpers van de wandeling zo maar privé eigendom in de route opnemen. Maar na enige sussende woorden op anderhalve meter afstand mag ik het terrein betreden en onder het prikkeldraad door kruipen.

Ik bereik een mooi uitzichtpunt richting Julianakanaal en Maas, met twee bankjes onder twee dikke eiken. Een goede plek voor mijn vroege lunch bij een populatie van gele dovenetel en grote muur.

En de vogels dan? Hun geluiden zijn overal: kraaien, mogelijk een raaf, bonte spechten, groene spechten, een buizerd, een holenduif, eksters en gaaien. En talloze kleine vogeltjes, maar ik heb de moed opgegeven om geluid en beeld bij elkaar te brengen: ze zijn me te snel af. Van tussen de bewoning is een kalkoen aan het roepen. Het doet me terugdenken aan een fragment uit een gedichtje dat ik moest voordragen op de Lagere School: “Wie komt daar om het hoekie, in zijn vuile hemd en broekie? Het is de geitenhoeder (of was het: Jan de wandelaar). En de kale koen aan het schelden…, loeder, loeder, loeder”.  

Een van de meest voorkomende schermbloemigen – naast fluitenkruid – is zevenblad. Ook hier in de bossen worden grote stukken bodem door deze plant bedekt.

Ik krijg een heel mooi uitzicht op de laanbomen die langs het Julianakanaal zijn aangeplant. Waarschijnlijk populieren, maar ze zijn onherkenbaar omdat ze van top tot teen zijn behangen met maretak.

Op het noordelijkste punt van de wandeling moet ik afdalen langs een metalen trap om via een tunnel de spoorbaan te passeren, samen met een kristalhelder beekje. Aan de andere zijde blijken drie beekjes bij elkaar te komen. Een bruggetje verwijst naar Het Slimme Schaap, een fietscafé in Elsloo, voor als de Corona weer weg is.

In de braamstruiken zie ik een groot aantal opvallende grijze stengelverdikkingen met piepkleine ontsnappingsgaatjes. De zwellingen blijken het werk te zijn van de bramentakgalwesp, hoe kan het ook anders.

Ik herken jonge plantjes van de gewone salomonszegel en van de hemelsleutel. Eindelijk een plek waar de daslook in bloei staat.

Terwijl ik op het meest oostelijke deel langs de bosrand wandel met glooiende weilanden, bewoond door Blanc Bleu Belge koeien, stijgt boven hun koppen een 747 op van Vliegveld Beek (Maastricht–Aken), waarschijnlijk vracht, of anders op weg om gestrande landgenoten in den vreemde op te halen.

Hoewel minder dicht bevolkt dan het Savelsbos, ook hier enkele dassenburchten. Ik zit me plots af te vragen of de naam ‘daslook’ iets met de das te maken heeft? De wetenschappelijk naam Allium ursinum en de Engelse en Franse namen verwijzen allemaal naar de beer. Die zou volgens de overlevering na zijn winterslaap als eerste op zoek gaan naar een hapje ‘bear garlic’ of ‘ail des ours’. Hebben wij dit getransponeerd op de das omdat wij geen beren hebben?

Ik kom de Italiaanse aronskelk tegen. Die is wat forser dan de gevlekte aronskelk en is gemarmerd met lichte vlekken langs de bladnerven. Op een natte oever van een beekje vind ik tussen de waterkers een mat van een klein, mij onbekend plantje. Thuis wordt het als ‘paarbladig goudveil’ op naam gebracht, uiterst zeldzaam in Nederland volgens Heukels’ Flora. Lang zal-ie leven…!

Op een zonnige plek steekt tussen de bladeren van de gevlekte aronskelk de bloeiwijze de lucht in, maar het schutblad is nog niet opengevouwen. Het laatste stuk loop ik vlak langs de spoorbaan, met als meest opvallende plant een slanke sleutelbloem.           

 

Gepost: 9 April 2020  

 

www.klikprintenwandel.nl: Bunderbostocht (15 km)