WANDELEN: Crobsche Waard

Tussen Haaften en Hellouw (gemeente West-Betuwe) aan de noordoever van de Waal, ten westen van de Martinus Nijhoff brug, ligt de Crobsche Waard met een aantal kleiputten rond een nog in bedrijf zijnde steenfabriek.


Ik wandelde er al eens langs zes jaar geleden (‘Waal (4)’. In: Siem Sing a Song, 2020), maar recentelijk is er een nieuw Klompenpad uitgezet met meer struinmogelijkheden.


Er is nog een reden dat ik naar dit gebied wil. Vlakbij in Hellouw ligt een weg die heet de Zeek. Deze noord-zuid dijkweg is de oostgrens van een inundatiegebied van zowel de Oude als de Nieuwe Hollandse Waterlinie, UNESCO Werelderfgoed.


Langs deze weg lagen enkele kleine natuurgebiedjes, die buiten het Natura2000 en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vielen, en die blijken geruisloos door de provincie Gelderland en Staatsbosbeheer van de hand te zijn gedaan. Hetzelfde lot zou later dit jaar dreigen voor 1700 hectare van dergelijke kleine Gelderse refugia, schuilplaatsen voor met name bodembiodiversiteit. Dit is op zijn minst bevreemdend omdat er een nationaal programma bestaat voor de onderlinge verbinding van natuurgebieden, de zogenaamde groenblauwe dooradering van Nederland (Volkskrant, 1 augustus 2026). Ik meng me niet in deze ruzie tussen natuurorganisaties en provinciale overheid, maar wil er wel iets meer over weten, temeer omdat het artikel focust op ‘maaigrienden’ en daar heb ik nooit eerder van gehoord.   


Ik start op donderdag, 6 augustus 2026, op de startplaats van het Klompenpad en wandel zo dicht mogelijk langs de waterkant van de Grote Put. Een weelderige bloeiende vegetatie, ondanks de droogte. Een ratjetoe van knoopkruid (met en zonder straalbloemen), heelblaadjes, watermunt, Canadese fijnstraal, guldenroede, grote wederik, harig wilgenroosje, gele honingklaver, wilde peen, kamilles en vele andere soortgenoten.


Een kievit schreeuwt omdat hij vindt dat ik hem stoor, terwijl een scholekster met één ingetrokken poot uitrust op de reling van de steiger, die HSV de Elft heeft aangelegd voor zijn leden (HSV staat voor Hengelsportvereniging en Elft blijkt een flinke haringachtige vis te zijn). Een snelwandeldame gebruikt de steiger ook in haar oefenparcours. Op eigen risico!


De bosschages op de oevers bestaan vooral uit smalbladige griendwilgen. Ertussen een opvallende Gelderse roos, vol rode bessen. Op een ondiep drooggevallen deel langs de oever bloeit de waterweegbree een beetje ielig, want die staat eigenlijk liever met zijn voeten in het water. In het struikgewas overal ‘witte pispotjes’, open bloemen van de haagwinde, die in de begroeiing omhoog is geklommen. Een andere stuk oever staat vol met bloeiende wouw. En op een helling een bosschage van verdroogde zwarte mosterd. Ik wandel even naar de vogelkijkhut op een landtong in het water. Een zwanenfamilie (ouders en vijf pubers) glijdt vredig voorbij.


Dan volgt voor ‘kortebroekers’ een onaangenaam stuk, waar het paadje smal is en de prikkers zoals akkerdistel en kale jonker hoog. Desondanks zie ik wel korenbloem, gele kamille, boekweit en zelfs enkele planten oeverstekelnoot, waarschijnlijk als relicten van een overwoekerde bloemenweide. Het terrein wordt weer wat opener en dan verschijnen wilde bertram en Engelse alant.


Plots ‘Kabaal am Gemaal’. In het water is het een enorm gespartel van grote groepen duikende aalscholvers en schreeuwende meeuwen. Blijkbaar is er een school visjes ontdekt, die in de ingedampte kleiputten zich moeilijker kan verschuilen. Twee grote zilverreigers, enkele ganzen en een groepje meerkoeten slaan het tafereel met verbazing gade. Zij vissen achter het net.

Via een vlonderpad bereik ik een klein strandje op de oever van de Waal. Hier heerst de echte kruisdistel en huist een nest schapen onder enkele bomen. Het bootverkeer op de rivier lijkt nog redelijk intensief, maar een kleinere belading beperkt de diepgang. De wede op de dijkbeschoeiing is al uitgebloeid.


Nabij het kerkje van Hellouw op de dijk verlaat ik de route van het Klompenpad op weg naar de Zeek. Terwijl kanonnen worden afgeschoten in de Betuwse boomgaarden om vogels te verjagen, kom ik langs een bijzondere kwekerij van de Paulowniaboom. Ze zijn nog maar een meter hoog, staan vol in blad en op flinke afstand van elkaar. De bomen mogen hier blijkbaar groot groeien. In december vorig jaar (2025) kwam ik op een fietstocht ook zo’n kwekerij tegen, maar toen waren de stammetjes bladloos (zie: ‘Rondje Bakel’). Het hout van de Paulowniaboom zou het ‘aluminium’ onder de houtsoorten zijn – las ik daar – zeer geschikt voor houten raamlamellen! De boom is vernoemd naar Anna Paulowna, echtgenote van koning Willem II.


Op de landbouwgronden oostelijk van de Zeek staan gaarden van fruittelers. Een door de wind rondtollend naambord, draait zo snel dat de tekst moeilijk te lezen is. Ik lees ‘De itamine uur’, maar zie later thuis bij inzoomen dat twee hoofdletters vervaagd zijn: ‘De Vitamine Muur’. Het gaat om een bedrijf dat zachtfruit produceert, met name aalbes. Even verderop zet een kudde jonge koeien het op een hollen om mij bij te blijven.  


Westelijk van de Zeek (inundatiegebied Hollandse Waterlinie) zouden enkele kleine natuurgebiedjes zijn verdwenen en vervangen door lange stroken met ‘maaigrienden’. Het gaat dus niet om oeroude knoestige knotwilgen op drassige, moeilijk begaanbare plekken in uiterwaarden, waarvan de uitlopers traditioneel als wilgentenen worden geoogst. Nee, het zijn opgehoogde stroken droge grond met dicht opeen groeiende dunne wilgenstammetjes, opgegroeid uit stekken die in het voorjaar machinaal worden geplant en na twee jaar machinaal worden geoogst. Blijkbaar kunnen de uitlopers van dezelfde stek een paar maal opnieuw worden geoogst voordat er moet worden herbeplant. Ik ben dit niet eerder bewust tegengekomen.


Langs de Zeek staan nog twee wipwatermolens. De Voorste Molen (Hooglandse Molen) krijg ik goed in beeld, de Achterste Molen (Laaglandse Molen) vaag op de achtergrond. Naar het westen zie ik de bolvormige KNMI radarpost van Herwijnen boven de maaigrienden uitsteken. Het dorp protesteert hevig tegen de komst van nog een radarstation, nu militair. Binnenkort volgt de uitspraak van de Raad van State.   


Spreeuwen hebben schapen gevonden om op mee te liften en ondertussen een huidparasietje mee te pikken. Dat wordt knokken wanneer de koereiger, nu nog zeldzaam, zijn intrede in Nederland doet. Of ze verdelen de buit: schapen voor de spreeuwen, koeien voor de koereigers.


Ik wandel langs het bedrijf dat groot is in deze vorm van moderne wilgenteelt (Van Aalsburg, ook met zo’n ronddraaiend naambord). Op het erf liggen gigantische stapels wilgentenen die bijeen worden gebonden tot lange elementen. Onze buren hebben recentelijk een schutting laten zetten van wilgentenen. Heel mooi en heel natuurlijk, maar van alleen schuttingen kan dit grote bedrijf niet leven. Op het perceel maaigriend voor de deur hangt dan ook een spandoek: ‘Hier groeien oevers’. De belangrijkste toepassing van wilgentenen is nog steeds versteviging en bescherming van kwetsbare oevers! De smalbladige griendwilgen (katwilg, amandelwilg en schietwilg) zijn de meest aangeplante bomen voor deze toepassingen.


De slogan ‘Hier groeien oevers’ doet me denken aan soortgelijke spandoeken die ik gezien heb bij velden olifantsgras: ‘Hier groeien huizen’, omdat Chinees olifantsgras (Miscanthus) wordt verwerkt in bouwmaterialen (‘Groene Meierij’. In: Zafira, 2024).


Ik ben weer terug op het Klompenpad en volg dan ruwweg de Waaldijk in een grote boog door Haaften. Nog een kwekerij van zachtfruit is gespecialiseerd in grote, sappige bramen (Pippel Bramen). Die zien er beter uit dan de wild geplukte. Bij de een krijg je wat meer ongedierte mee, bij de ander wat meer bestrijdingsmiddel.


In het dorp staat een torenruïne van het voormalige Kasteel Goudenstein. Je mag er alleen maar naar kijken, maar aankomen niet, want hij staat op het erf bij enkele huizen. Het kasteel was eigendom van het geslacht Van Haeften, maar werd in Rampjaar 1672 door de Fransen vernield. Torenruïne en molen De Blauwe Reiger zijn beeldbepalend voor dorp Haaften. En dan heb je ook nog de dijkkerk. Op de Waaldijk vóór de kerk staat het beeld ‘Beschermvrouwe’, geplaatst ter gelegenheid van de voltooiing van de dijkverzwaring na de bijna-ramp van 1995.


Ik wandel langs de Waal om de zuidelijke plas heen, die de bijzondere naam ‘Beslagput’ heeft gekregen. De ’kabaal’ aalscholvers hebben zich nu in deze put verzameld. Terug op de parkeerplaats loop ik nog even in de richting van de steenfabriek, waar nog steeds nieuwe kleiputten worden geslagen en oude putten aan de natuur teruggegeven… of aan ‘Sapiens’, getuige de ijsbaan die wordt beheerd door de ‘IJsvogels’.

    

 

[Beeldverhaal]


Gepost: 19 Augustus 2026

 

Klompenpaden: Crobschepad (verlengd) (18 km)