WANDELEN: N70 Route

Wij hebben in Nederland geen (inter)provinciale weg met nummer N70. Wel in België en Frankrijk. Wat we wel hebben is een hele bekende N70 Natuurwandelroute, waarbij N70 verwijst naar het Europees Natuurbeschermingsjaar 1970.


De wandelroute bevindt zich op de Nederrijnse Heuvelrug net ten oosten van Nijmegen bij Beek-Ubbergen. De stuwwal ontstond tijdens de voorlaatste ijstijd (150.000 jaar geleden), toen een gletsjertong door de IJsselvallei hier tot stilstand kwam. 


Ik heb deze kuitenbijter meermaals gelopen en één keer in de observatie modus beschreven, maar dat was in het najaar en inmiddels dik zes jaar geleden (‘Ubbergse Heuvelrug’. In: Siem Sing a Song, 2020).


Op donderdag, 7 mei 2026, zal de natuur er heel anders uitzien, zeker in gezelschap van vriend en plantenkenner Roel. Hij gaat me uiteraard weer op velerlei bijzondere en minder bijzondere planten wijzen, die ik in mijn eentje waarschijnlijk ongemerkt voorbij zou lopen. Maar ik heb mijn huiswerk gedaan. Mijn oefenschrift, gebaseerd op de Ecologische Flora, weer eens doorgenomen. Na een half jaar zonder direct contact, hebben we elkaar ook heel wat te vertellen. Roel over zijn reis naar Colombia, en ik over Costa Rica.


Start deze keer niet bij restaurant Tante Koosje in Nijmegen-Oost, maar bij hotel ’t Spijker in Beek. Een klein fonteintje in Beek is begroeid met mos, een specialiteit van Roel. Soms zijn plantennamen begrijpelijk en te onthouden, want dit mosje blijkt watervalmos te zijn! Zo wees hij me ooit op twee mosjes op rieten daken: het rietdakmos en het strodakmos (‘Vennen van Wijchen–Heumen’. In: Dreamgirls, 2018)!


We bereiken spoedig de oude wegwijzer op de voormalige grens met Duitsland in het Keteldal. ‘Laat Vriendschap heelen, Wat Grenzen deelen’ staat op twee van de vier armen. De grenspaal is notabene van vóór de Tweede Wereldoorlog! Er bloeit in de berm de gevlekte dovenetel, iets forser dan de paarse dovenetel, maar hier wel zonder bladvlekjes.


Mooi uitzicht over de helling van de Vossenberg en vervolgens de weilanden van de Assekuul, van elkaar gescheiden door vlechtheggen van haagbeuk. Langs de paden groeit steeds meer van het invasieve groot nagelkruid, maar ook gewoon nagelkruid is zeker niet verdwenen. Grote muur is de meest opvallende bermplant met zijn witte bloemen. Tussen de bramen groeien ook frambozenplanten. En naast de gewone vlier komt hier ook trosvlier voor.


Enige menselijke interventie lijkt te hebben plaatsgevonden bij een hol weggetje, waar de hellende bermen vol staan met franjekelk, een tuinvlieder. Eén keer eerder kwam ik die verwilderd tegen in de parken langs de Sint-Jansbeek in Arnhem (‘Sint-Jansbeek’. In: No.10, 2023). Verder staan er vogelmelk, daslook en veel bastaardhyacint. Roel legt de laatste hand aan een deel van de Nova Flora Neerlandica over ‘Lis, narcis en lelie-achtigen’, waarin deze planten worden behandeld. Wat meestal ‘wilde hyacint’ wordt genoemd lijkt een grote zwerm van hybriden te zijn tussen twee oudersoorten, die niet of nauwelijks meer in zuivere vorm voorkomen. Bij het beschrijven van vele planten moet Roel positie kiezen tussen de ‘splitters’ en ‘lumpers’ onder de taxonomen. De eersten zijn momenteel in de meerderheid en dat komt waarschijnlijk enerzijds door al het DNA-onderzoek, anderzijds door te kleine steekproeven. Uitersten van een populatie – zonder weet te hebben van alle tussenliggende overgangsvormen – worden dan al snel als aparte soorten aangemerkt. En het is sexyer om een nieuwe soort te beschrijven dan om twee oude soorten te laten fuseren.


We bereiken Huis Wylerberg met het Landschapmuseum. We negeren het toegangsverbod van het omringende terrein, omdat Roel hier lang geleden de zeldzame zwartblauwe rapunzel heeft waargenomen. We worden gesnapt door twee medewerkers van het museum. In een interessant gesprek wordt duidelijk dat we die rapunzel wel kunnen vergeten, want ‘natuurvijand’ Staatsbosbeheer maait deze weilandjes rigoureus en regelmatig kort tot op het bot. Natuurclubs en Staatsbosbeheer blijken geen ‘natuurlijke’ vrienden te zijn.             


Tussen het gras bloeit wel kruipend zenegroen. In een hoekje staat de donkere ooievaarsbek met zijn duistere kroonbladeren, een typische stinzenplant. 


We beklimmen de Duivelsberg via een mooie kastanjelaan. Tussen de bomen bloeien zowel ruige veldbies als grote veldbies. En op de basis van de stam van sommige tamme kastanjes heeft zich kussentjesmos genesteld. Het is verleidelijk om op deze steile klim even te gaan zitten op een boomstronk, die tot stoel is verwerkt met achterleuning waarin de woorden ‘Rust wat’ staan gekerfd.


Op de motte, waarop ooit de burcht Mergelpe heeft gestaan, komen we de zachte ooievaarsbek tegen. De omringende eiken bestaan zowel uit de meest voorkomende zomereik als uit de wintereik met de lange bladstelen.


We passeren Pannenkoekenrestaurant De Duivelsberg. Op de ‘nieuwe’ grens met Duitsland bloeit de smalbladige wikke en er staat een mispel met zijn fluweelzachte bladeren en zijn zittende bloemen. ‘Cul de chien’ en ‘Openarse’ zijn de onsmakelijke bijnamen van de mispel vrucht in het Frans en Engels. In het Duits zal het wel niet veel smakelijker zijn: ‘Offene Hintern’!


Leemkuilen, die ooit mogelijk de Romeinen en anders de modernere Stoompannenfabriek (1878–1934) voorzien hebben van materiaal voor het bakken van dakpannen en aanverwante artikelen, zijn weer zichtbaar gemaakt in het bos.


Ter herinnering aan een overleden jongedame is een bank geplaatst met als motto ‘Pura Vida’. Sinds Marita en ik in Costa Rica zijn geweest komen we deze Tico filosofie regelmatig tegen. Een paar weken geleden nog op Terschelling: twee ‘Pura Vida’ eettenten.


In het Filosofendal is op een beuk met rooie verf geschreven ‘Zoek mei’. Nou die maand ‘mei’ hebben we inmiddels ‘gevonden’. Misschien lees ik het verkeerd en is de ‘i’ een uitroepteken (‘Zoek me!’). Of is het echt een spelfout? Met rooie meinie… sorry, menie op bomen kalken is in elk geval helemaal fout!


Roel wijst me op dolle kervel. De plant doet vanwege de gevlekte stengel denken aan de zeer giftige gevlekte scheerling, maar de stengel is bij dolle kervel bezet met lange haren in tegenstelling tot de kale gevlekte scheerling.


We bereiken het Kastanjedal met de heldere Beekse beek. Wat ik in eerder genoemd verhaaltje nog  ‘sterk ontwikkelde heermoes’ noemde is toch echt zijn grote broer, de  reuzenpaardenstaart. De grootste kastanjeboom is de Kabouterboom met een diameter van ongeveer twee en een halve meter, deels hol van binnen. Onverlaten hebben daarin een keer vuurtje gestookt, wat bijna leidde tot de ondergang.


Prachtig uitzicht vanaf de Ravenberg op het piepkleine Persingen in de uiterwaarden van de Waal. In en langs een weiland groeit de adelaarsvaren en bloeien gewone hoornbloem en vogelmuur uitbundig, evenals witte winterpostelein. In de bosrand staat een zoete kers in vrucht, op de bodem bloeien rankende helmbloem en salomonszegel en langs het hek staat een solitaire plant van knopig helmkruid in knop.


Altijd indrukwekkend is de hangende bloeiwijze van de gewone esdoorn. Op de Westerakker, ook wel Elyzeese Velden genoemd, met het rustieke boerderijtje graast een familie geel-bruine runderen, vermoedelijk blondjes uit Aquitanië (Blonde d’Aquitaine).


Lelietje-van-dalen moet niet verward worden met daslook. Ze komen wel eens gemengd voor. Terwijl het blad van daslook gegeten kan worden, is het blad van het lelietje giftig.


We wandelen om de Sint-Maartenskliniek heen in Nijmegen-Oost (bij restaurant Tante Koosje), steken het Hengstdal over en komen dan nog op een open plek met overhangende takken van zomer- en wintereiken. Kleine gallen overwoekeren de bloeiwijze van de wintereik.  


Nog even een foto van een bijzondere geboetseerde eik, die zich in allerlei bochten wringt, en dan zijn we terug in Beek. We sluiten deze pittige wandeling af op het terras van hotel ’t Spijker met zicht op nog een fonteintje bij het beeld van het wasvrouwtje. Het fonteintje is begroeid met mos…, ongetwijfeld watervalmos! 

 

 

[Beeldverhaal]


Gepost: 19 Mei 2026

 

Natuurwandelroute N70 (15 km).