WANDELEN: Atuatuca Tungrorum

Op dinsdag, 27 januari 2026, bezoek ik het archeologisch Gallo-Romeins Museum in Tongeren (Belgisch Limburg), gevolgd door een stadswandeling langs Romeinse sporen.


Ik laat in het museum de prehistorie met rust en beperk me tot de Romeinse periode, die begint met Caesar’s verovering van Gallië (58–51 v. Chr.) en de opstand van de Eburonen onder leiding van Ambiorix in 54 v. Chr. (zie: ‘Ambiorix’). Overigens ben ik me zeer bewust van de Griekse ‘lijfspreuk’ van het museum, afkomstig van de Romeinse keizer Marcus Aurelius (121–180 A.D.): ‘Wat volgt, staat altijd in verband met wat eraan voorafging…’. Na de genocide van de Romeinen op de opstandelingen in 53 v. Chr. vestigden de Tungri zich in het leefgebied van de Eburonen.


Rond 15 v. Chr. krijgen Romeinse soldaten de opdracht om op een strategische, maar tot dan toe onbewoonde plek, een nieuwe nederzetting aan te leggen. Het kreeg de naam Atuatuca Tungrorum (Vesting van de Tungri).


De plek was zorgvuldig uitgekozen vanwege de aanwezigheid van een bevaarbare rivier (Jeker), vruchtbare leemgrond en de ligging langs belangrijke heirbanen tussen de Atlantische kust (Boulogne-sur-Mer) en de rijksgrens (‘Limes’) langs de Rijn bij Keulen. 


De nederzetting ontwikkelde zich tijdens de volgende eeuwen van Romeinse aanwezigheid tot een belangrijke stad  (‘Municipium’) en werd de hoofdstad van een district (‘Civitas Tungrorum’), ruwweg het leefgebied van de Tungri. In het museum maken een maquette en plattegrond inzichtelijk hoe Atuatuca Tungrorum er in de Romeinse tijd ongeveer uit moet hebben gezien. Met een regelmatig stratenpatroon, een ‘Forum’ en een ‘Templum’, een grote graanopslag (‘Horreum’) net buiten de stad en een kilometers lang aquaduct om schoon bronwater de stad in te leiden. Het ‘Municipium’ kreeg in de tweede eeuw een stadsmuur, grotendeels opgebouwd uit brokken silex (vuursteen) in mortel, meer dan vier kilometer lang (zes meter hoog en twee meter dik), met vele wachttorens en een vijftal stadspoorten. De bewoners van de stad werden Romeins staatsburger.


In de derde eeuw krijgt Atuatuca Tungrorum steeds meer te maken met invallen van vijandige Germanen en wordt een keer totaal platgebrand. Vanaf het jaar 300 A.D. verliezen de Romeinen geleidelijk de controle over de ‘Limes’ in de Lage Landen.


In de vierde eeuw wordt de Romeinse stadsmuur met de helft ingekort om van Atuatuca Tungrorum een echte vesting te maken. Maar het mag de Romeinen uiteindelijk niet baten.


Na de ineenstorting van het West-Romeinse Rijk rond 400 A.D. kent Tongeren een periode van verval, om in de late middeleeuwen weer op te bloeien. Ik kan dan ook tijdens mijn stadswandeling langs Romeinse sporen enkele markante middeleeuwse overblijfselen niet compleet negeren.


Ik start mijn stadswandeling bij de Jeker, een rivier van bijna zestig kilometer lengte, die uitmondt in de Maas bij Maastricht. Hij is in viezere tijden om Tongeren heen geleid, maar mag nu ook weer via kleine parallelle beddingen door de stad stromen.


Langs zo’n bedding ligt een uitgestrekte dertiende-eeuwse Begijnhof binnen de middeleeuwse stadsmuur. Die muur is deels met materiaal van de Romeinse stadswal aangelegd rond het stadscentrum. De dertiende-eeuwse Moerenpoort is de enige stadspoort die uit die tijd bewaard is gebleven.


Ik volg een eind deze stadswal, waarop mossen, korstmossen en varens (zoals de eikvaren) een prachtig biotoop hebben gevonden. Langs deze stadswal ligt het Billenniummonument T-2000 (Tongeren 2000 jaar oud), onthuld in 1985, dus een verwijzing naar de stichtingsdatum van Atuatuca Tungrorum in 15 v. Chr. Het monument bestaat uit twee tegenover elkaar staande betonnen reliëfs met menselijke figuren, die als positief en negatief op elkaar passen, maar dus als het ware uit elkaar zijn gegroeid; de verbeelding van evolutie.      


Grappig om te lezen dat er tien kopieën zijn gemaakt voor zustersteden die ook minimaal tweeduizend jaar Romeinse geschiedenis hebben meegemaakt: Rome (I), Nijmegen (N), Maastricht (N), Heerlen (N), Keulen (D), Trier (D), Doornik (B), Aarlen (B), Metz (F) en Bavay (F).  


Ik bereik de plek in het noorden van de stad, waar de Romeinse tempel heeft gestaan. Men heeft met moderne middelen geprobeerd enig idee te geven van de omvang van het heiligdom. Een Jupiterzuil en een offertafel op het voorplein en een trappenstelsel naar de ‘Cella’.


De Jupiterzuil draagt het beeld van Jupiter op een steigerend paard, die twee giganten vertrapt. Het verbeeldt de overwinning van orde (Rome) op chaos. Ik offer mijn thermosfles en broodtrommel op de offertafel, maar consumeer zelf de inhoud. Vlakbij de tempel ligt langs de Legioenenlaan een flink restant van de Romeinse stadsmuur.


In het centrum kom ik op de Grote Markt langs het kolossale beeld van Ambiorix. Als hoog gewaardeerde dappere Belgische voorouder verdient deze historische figuur een apart verhaaltje (zie: ‘Ambiorix’).


Aan de Grote Markt staat ook de dertiende-eeuwse Onze-Lieve-Vrouwebasiliek. Ik neem een kijkje in de gotische kerk. Meest opvallend is het Maria-altaar met het beeld van Onze-Lieve-Vrouw ‘Oorzaak Onzer Blijdschap’. In 1890 is het beeld gekroond door de bisschop en sindsdien wordt het eens in de zeven jaar in een grote processie door de stad gedragen. Volgende kroningsfeesten in 2030! De verzameling kerkschatten in het ‘Teseum’ laat ik aan me voorbijgaan.


Het ‘Praetorium’ was de residentie en administratief kantoor van de Romeinse gouverneur. In het huidige gebouw huist nu het ‘Onthaal Centrum’ van de politie. Vóór het gebouw een standbeeld van de Romeinse bestuurder en latere keizer Flavius Claudius Julianus (331–363). In de woelige periode van steeds fellere Germaanse aanvallen aan deze zijde van de ‘Limes’, probeert Julianus in 358 A.D. de Franken te paaien met een verdrag dat hen Romeins gebied in bruikleen geeft ten noorden van de Via Belgica, een belangrijke oost-west heirbaan van de Atlantische kust (Boulogne-sur-Mer) naar de ‘Limes’ (Keulen). De Via Belgica heeft twee takken, een zuidelijke tak van Boulogne via Bavay naar Tongeren en een noordelijke tak die loopt van Boulogne via Wervik en Tienen naar Tongeren. Er worden versterkingen langs deze weg aangelegd, zodat die in feite moet fungeren als een nieuwe ‘Limes’. Ten noorden van de noordelijke tak wordt dus Germaans gesproken, ten zuiden ervan Romaans. Laat nu deze linie grotendeels samenvallen met de huidige taalgrens in België! 


Dat Tongeren zich laaft aan het Romeinse verleden en de heldhaftige voorouders spreekt uit de stadsbeelden. Onderweg loop ik over de Cesarlaan en de Legioenenlaan. Er is ook een Cottalaan, Sabinuslaan en Via Julianus. Ik passeer de Bar Eburonen, Café Ambiorix, Hotel Eburon, Campus Ambiorix en het Atheneum Tungrorum. Ik breng de nacht door in het Ambiotel(!) en mijn auto overnacht in de parkeergarage Julianus.      


XXXXXX

 

Op woensdag, 28 januari 2026 maak ik een wandeling in het buitengebied van Tongeren met nog meer Romeinse sporen.


Start in het Pliniuspark westelijk van de stad met de Pliniusbron. Plinius de Oudere (ca. 23–79 A.D.) beschrijft in zijn ‘Naturalis Historia’ (de eerste encyclopedie in 37 delen), een aantal waterbronnen, waaronder hoogstwaarschijnlijk deze.

 

‘In het land van de Tungri, in Gallië, ligt een heel bijzondere bron. Deze bruist door heel veel luchtbellen en heeft een ijzerhoudende smaak die je proeft bij het drinken. Het water zuivert het lichaam, heelt de driedaagse koorts en laat nierstenen en andere stenen in het lichaam verdwijnen. Wanneer het verhit wordt, wordt het eerst troebel, waarna het rood kleurt.’

 

Uit een put borrelt inderdaad bruin water naar boven dat naar een vijver stroomt. Er ligt geen steen op mijn maag, dus proeven is overbodig.


Op de oever van de vijver vermaken enkele barbarie-eenden zich bij de glijbaan en klimrek van een speeltuin. Een kunstwerk van drie heuveltjes is geïnspireerd op de ‘Tumulus’ (Romeinse grafheuvel). De populieren in deze contreien zijn vergeven van de halfparasitaire maretak.


In de verte gloort een heuvelrug, waar ik even later ongeveer een kilometer bovenop wandel, de Beukenberg. Deze Beukenberg is het grootste archeologisch monument van België, namelijk het restant van een vijf kilometer lange smalle en hoge kunstmatige wal, waarop met een gering verval water via een aquaduct vanuit bronnen in de omgeving van het dorp Widooie naar de stad werd geleid. De houten of stenen goot is uiteraard verdwenen, de wal bebost met beuken in overvloed. Op het holle wandelpad heeft een vos tussen de beukenwortels zijn hol gegraven, met een nooduitgang.


Opvallend zijn de mooie deuntjes van meerdere zanglijsters, die het gevoel hebben dat de lente eraan zit te komen. Holenduiven koeren zich een slag in de rondte. Opvallend ook de volle vruchtdracht van de Hedera klimop, een belangrijke voedselbron voor vogels in de winter. 


In dorp Piringen hangt een restant kerstverlichting hoog aan een hijskraan: de vallende ster van Bethlehem. De hulp van Jerommeke met een vuilniszak is ingeroepen op een poster om de buurt te vrijwaren van zwerfvuil. Ambiorix komt trouwens regelmatig voor in stripverhalen, onder andere van Suske en Wiske.


Via mooie smalle onverharde paadjes wandel ik verder door het glooiende landschap, soms door bos, soms langs boomgaarden, dan weer door akkerland. Op een drassig pad verstap ik me en zak met mijn mooie nieuwe wandelschoenen enkeldiep in de blubber.


Enkele ezels beginnen bij mijn passage luidruchtig te balken. Ik denk om mij te begroeten, maar ze hebben allang de auto van hun baas in de verte zien aankomen.


De maretak zit meestal hoog in de boom, maar hier is het een zaadje uit de bes-achtige vrucht gelukt om een lage tak van een meidoornstruik te penetreren. Mooie gelegenheid om de parasiet van dichtbij te fotograferen. Er zit zelfs al een wit vruchtje aan.  


Ik ga tevreden op huis aan. Al met al een zeer interessante kennismaking met Atuatuca Tungrorum.

 

 

[Beeldverhaal]


Gepost: 13 Februari 2026

 

Stadswandeling Tongeren uit reisgids Haspengouw (5 km) en Piringen/Beukenberg (rood) uit Wandelen in Limburg (10 km).