SELFIES: Costa Rica – La Fortuna
Op vrijdag, 13 maart, vertrekken we na een rustig begin van de dag – behalve voor de vroege vogelaars! – naar La Fortuna, een rit van slechts 75 kilometer. Even een foto van onze bus, die het prima doet in de kundige handen van chauffeur Jimmy. Het is iedere keer voor hem weer passen en meten om de achttien koffers in de achterbak te krijgen.
Halverwege de rit passeren we Pital, het centrum van de Costaricaanse ananas cultuur. Costa Rica is ’s werelds grootste ananas producent. De vruchten staan bekend om hun zoete smaak en daar genieten we elke dag van bij het eten. Alle stadia van de teelt komen we onderweg tegen. Ananas wordt vegetatief vermeerderd (meestal van zijscheuten aan de vruchtsteel). Bloei wordt vaak chemisch geïnduceerd voor uniforme afrijping. Een teeltperiode duurt ongeveer anderhalf jaar. Vanwege het hoge gebruik van pesticiden is er ook kritiek op de producenten; de roep om te verduurzamen klinkt steeds luider.
Opvallend zijn ook de grote percelen cassave, hier yuca genoemd. Yuca is belangrijk in de Costaricaanse keuken, maar wordt ook deels geëxporteerd.
In La Fortuna komen we opnieuw terecht in een prachtige lodge, de Arenal Montechiari, met uitzicht op de conische Arenal, Costa Rica’s beroemdste vulkaan.
Ik krijg in de tuin de vrij algemene langstaarttroepiaal (Quiscalus mexicanus) mooi in beeld in een palmboom. Met deze vogel worden we later (Monteverde) nog wel op een heel andere manier geconfronteerd. Ook de Gray’s lijster (Turdus grayi) zingt hier weer zijn mooie deuntje, tot vervelens toe. Een prachtige groene leguaan luiert op een kale tak.
Op het voederplankje bij de Receptie verschijnen drie exemplaren van de grijskopchachalaca (Ortalis cinereiceps) en een zwartwangspecht (Melanerpes pucherani) zit tegen een boomstam aangeplakt. Wanneer er enkele gewone scharrelkippen op het toneel verschijnen, druipen alle wilde vogels af. “Wat zijn dat in hemelsnaam voor vreemde vogels?”
We worden in de middaguren even losgelaten in het centrum van de stad in het park bij de kerk, waar de Costaricaanse vlag dapper wappert: horizontale banden in de kleuren blauw-wit-rood-wit-blauw (de boeren kunnen deze in elk geval niet op de kop hangen!). Het ‘blauw’ staat voor kansen (lucht), het ‘wit’ voor vrede en wijsheid en het ‘rood’ voor levensvreugde (bloed van de vrijheidsstrijd). Kortom: Pura Vida!
Bij de kerk staat een opvallende reizigersboom (Ravenala madagascariensis), inheems in Madagascar dus. De verwijzing naar ‘reizigers’ slaat op het feit dat er altijd wel (drink)water in de bladscheden te vinden is.
Toch is het hier wel even schrikken, want La Fortuna is vanwege de vulkaan zeer toeristisch en de prijzen van souvenirs en onze lunch zijn navenant. De ‘Pura Vida Pledge’ heeft Costa Rica geen windeieren gelegd, met als vervelende bijwerking dat er bijna geen souvenir te vinden is zonder de woorden ‘Pura Vida’ of ‘Costa Rica’, meestal beide. Hoewel, ik vind een namaak verkeersbord dat waarschuwt voor ‘Overstekende luiaards, 0.01 kph’. Hang ik thuis op als waarschuwing aan bezoekers die mijn werkkamer willen betreden. Tot nu toe zijn we de luiaard nog niet tegengekomen.
Om zes uur ’s avonds brengen we een bezoek aan de Ecotermales Fortuna voor een terminale, eh… thermale ervaring. Warme baden, verwarmd door de vulkanische Arenal, stroomafwaarts afnemend in temperatuur van ongeveer 32 tot 25°C. In het heetste bad houd je het niet lang uit.
Er schijnen allerlei gezonde mineralen in het water te zitten. Ik hoor Johan tegen Tonny zeggen dat ze maar een slok moet nemen: “Hoef je vandaag de magnesium pillen niet in te nemen”.
Laat op de avond stuurt Veerle een berichtje in de groepsapp dat er een luiaard in de tuin van het hotel is gesignaleerd. Wij vliegen er als enigen meteen op af. De anderen hebben mijn verkeersbord gezien (0.01 kph) en denken waarschijnlijk dat hij er morgen ook nog wel zit. Bingo! De eerste luiaard, maar het is donker en de foto’s onduidelijk.
Het is zaterdag, 14 maart, en er staat in de ochtend een Arenal wandeling op het programma in Parque 1968, en vanavond in het donker een nachtwandeling op zoek naar slangen, kikkers, padden en spinnen. Tussendoor nog voor enkele ‘diehards’ (Jan (van Alie), Tamar, Veerle, Susan) een afdaling (en klim!) naar een waterval met zwemgelegenheid, maar daar kan ik niet over meepraten.
Parque 1968 is vernoemd naar de laatste grote uitbarsting van de Arenal. Daarna is hij gematigd actief gebleven tot 2010. Hij is nu rustig, maar waarschijnlijk is het slechts een middagdutje.
Bij de entree van het park meldt de kaartverkoper dat er op een tiental meters afstand een kleine wimpergroefkopadder (Bothriechis schlegelii) in een struik te zien is. Het element ‘wimper’ in de naam slaat op de schubben boven de ogen. De adder komt voor in verschillende kleurvarianten, maar dit is de meest opvallende gele vorm. Het is één van de gevaarlijkste slangen van Costa Rica en verantwoordelijk voor meerdere dodelijke slachtoffers per jaar. “Als ik dat had geweten, was ik met mijn camera niet zo dichtbij gekomen”, zegt Marita.
Een mooie wandeling over lavastromen en langs enorme keien die door de vulkaan zijn uitgespuugd. De vegetatie verandert tijdens de klim geleidelijk van dicht secondair bos met imposante wortel- en lianenpartijen naar struikgewas. Een liaan hangt als een schommel over het pad. Astrid en Marita willen de schommel wel even uitproberen, maar zien er vanaf als iemand zegt dat het een ‘apenschommel’ is.
Onderweg horen we de ijselijke schreeuw van de oropendola (Psarocolius montezuma), maar ik krijg hem niet op de foto. We passeren regelmatig processies van bladsnijdersmieren (Atta cephalotes), die snippers blad, vele malen hun eigen gewicht, naar het nest dragen. Fraaie bloeiende planten ook zoals een geel-oranje bloeiende Epidendrum (een orchideetje), een gevlekte Werauhia uit de Bromelia-familie, en een bloeiende Hydrocotyle leucocephala, verwant aan onze waternavel.
Op de ‘Cima de la colada de lava’ (hoogste punt van de lavastroom) niet alleen zicht op de vulkaan, maar ook op de ‘Laguna de Arenal’, een stuwmeer dat Costa Rica van de nodige elektriciteit voorziet. Op de omringende heuvels ook windmolens. Costa Rica is praktisch zelfvoorzienend in hernieuwbare energie: waterkracht, aardwarmte, wind en zon.
Op de terugweg lopen we gelijk op met een grote familie witsnuitneusberen (Nasua narica), die snuffelen tussen de struiken. Wanneer ik half uitglijd over een kei, schrikken de beren en klimmen ze in een oogwenk in de dichtstbijzijnde boompjes. Maar ze zijn absoluut niet schuw.
De rosse duif (Patagioenas cayennensis) laat zich ook weer eens zien. Tot slot heb ik met Marita, Jan en Alie in de staart van de groep het geluk een grote volwassen noordelijke boommiereneter (Tamandua mexicana) op de foto te krijgen.
In de namiddag opnieuw het gerucht dat de luiaard, notabene met een jong, weer is gesignaleerd in de hoteltuin. Hij is vannacht één boom opgeschoten, en die boom is nog bijna kaal ook, zodat er duidelijke plaatjes kunnen worden geschoten. Het is de Hoffmannluiaard (Choloepus hoffmanni), die twee vingers heeft aan de voorpoten en drie aan de achterpoten. Dit in tegenstelling tot de kapucijnluiaard (Bradypus variegatus), die drie vingers heeft aan zowel voor- als achterpoten.
In het avonddonker trekken we naar Arenal Oasis voor een griezelige tocht door het regenwoud. Iedereen wordt voorzien van een zaklantaarn. De gids maakt het tijdens de inleiding extra spannend door alle gevaren nog eens te benoemen en ons te manen vooral op het pad te blijven en geen planten beet te grijpen. Het is achteraf een beetje overdreven, maar het hoort bij de ervaring. En ze kunnen zich geen ongelukken met toeristen permitteren.
Ik vind het onbevredigend dat ik niet mijn eigen foto’s kan maken in het donker, maar de gids maakt van dichtbij onder bijschijning de mooiste foto’s met behulp van de beste mobiele telefoons in ons gezelschap (van Veerle, Wilma en Marjon) en die foto’s worden in de groepsapp gedeeld voor algemeen gebruik.
Er worden mooie foto’s gemaakt van harige spinnen, oplichtende ‘hooiwagens’, padden en kikkers, die ik niet allemaal op naam kan brengen. Zeer bijzonder is de grote kogelmier (Paraponera clavata), waarvan de steek zou voelen als een pistoolschot en waar je wel 24 uur pijn aan over houdt. Bij sommige inheemse stammen wordt de kogelmier ingezet bij initiatierituelen. “Laat maar eens zien dat je een kerel bent!”
Absoluut hoogtepunt is echter de kleine roodoogmakikikker (Agalychnis callidryas) met zijn rood-oranje ogen, handen en voeten. Eenmaal eerder werd ik geconfronteerd met deze bijzondere boomkikker. Op een fietstocht in Zuid-Beveland kwam ik langs de Berkenhof Tropical Zoo in Kwadendamme, waar ze de roodoogmakikikker gebruiken om bezoekers te trekken (evenals de gladvoorhoofdkaaiman en de witwangtoerako) (Zuid-Beveland’. In: Eigen land laatst!, 2021).
We eten gezamenlijk Italiaans, ik een bijzondere lasagne, Marita een pizza, maar ze hebben geen Italiaanse kok geïmporteerd.
In de tuin van het hotel nog wat laatste plaatjes in de ochtend voor vertrek: een prachtige Aziatische fakkelgember (Etlingera elatior) in bloei, de bloeiwijze van de banaan, cacao-vruchten aan de stam, en voor deur van onze kamer een aronskelk-achtige met een vrouwelijke bloeikolf met hele lange stigma’s (Carludovica palmata) en een mooie leguaan, de gestreepte basilisk (Basiliscus vittatus).
Gepost: 17 April 2026